Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

ALGEMEENE INLEIDING

sche bevolking omtrent strafrecht en straf goed te doen uitkomen. x) Het adatstrafrecht staat nog op het standpunt der eerste middeleeuwen en heeft op lange na nog niet den ontwikkelingsgang van het Europeesche doorloopen.2) Als beginsel geldt, dat de Staat, waar door eenig misdrijf private belangen zijn geschonden, niet tusschen beide behoeft te treden, 't Misdrijf wordt geenszins beschouwd als een door de zedenleer veroordeelde handeling, maar ^eeleer als de benadeeling van individueele vermogensrechten, die den aanrander jegens den benadeelde of zijn bloedverwanten tot schadevergoeding verplicht. In het adatstrafrecht overheerscht dus de genoegdoeningsidee. Vervolging en bestraffing hebben, behoudens enkele uitzonderingen3) slechts plaats, indien de door het misdrijf getroffene of diens familie een klacht doet.*) Bij de desabevolking en de desahoofden treft men nog heel sterk de overtuiging aan, dat als de benadeelde geen strafvervolging wil, de zaak ook kan blijven rusten en dat wanneer de vervolging is ingesteld, de benadeelde het in zijn macht heeft haar te doen voortzetten of te doen staken.

In het hier gekenmerkte verschil van opvatting van strafrecht schuilt ook de verklaring, dat de Inlander geheel anders staat tegenover misdaad en misdadiger dan de Westerling. Terwijl deze

1) Zie hierover uitvoeriger: Cassutto, Het adatstrafrecht in den Ned. Ind. Archipel.

2) Het Mohammedaansche strafrecht bevindt zich nagenoeg in dezelfde phase van ontwikkeling als dat van de inheemsche bevolking.

3) In heel enkele gevallen treedt het staatsbelang op den voorgrond en wijkt daarvoor het bijzonder belang van de beleedigde partij, bijv. wanneer het een algemeen bekenden booswicht betreft, die de desa's onveilig maakt; bij beleediging van den vorst en bij sommige misdrijven tegen de zeden.

*) Vgl. het proefschrift van Mr. Jonker over het Javaansche strafrecht. Leiden 1882; ook G. A. Wilken, het strafrecht bij de volken van het Maleische ras. 's-Grav. 1888 blz. 94.

Het inheemsche strafrecht wordt verder gekenmerkt door le het solidariteitsstelsel d.i. de aansprakelijkheid speciaal van de desa voor alle strafbare handelingen binnen haar gebied gepleegd, wanneer de dader daarvan onbekend blijft; 2e het boetenstelsel, waarbij behoudens een heel enkele uitzondering, ieder misdrijf in al zijn onderscheidingen, op een zekére geldsom geschat wordt, waarmee het geboet moet worden, welke boete een zuiver privaatrechtelijk karakter draagt, 3e door de omstandigheid, dat de te betalen boete afhangt van den rang en stand van den verslagene of getroffene. Misdaden tegen Hoofden en aanzienlijken gepleegd worden zwaarder gestraft dan die tegen den gewonen man, terwijl de door Hoofden gepleegde strafbare feiten minder zwaar gestraft worden.

Sluiten