Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALGEMEENE INLEIDING

15

Hierboven werd nagegaan hoe in den loop der eeuwen langs verschillende wegen naar een oplossing gezocht werd van de vraag, waarin de straf haar rechtvaardiging vindt, voorzoover daarin gelegen is een toebrengen van leed, een ingrijpen in de rechtssfeer van den overtreder. Een ander nauw daaraan verwant vraagstuk is de rechtvaardiging van de keuze der b ijzondere strafmiddelen; een tweede, de aanwijzing voor strafbedreiging en strafoplegging van beginselen ter bepaling van aard en mate van straf en een derde niet minder belangrijke kwestie is: de rechtvaardiging van het stellen van straf op sómmige en niet op alle inbreuken op de rechtsorde, aanwijzing alzoo van beginselen voor de grensbepaling van strafbaar en nietstrafbaar onrecht. De beide eerste onderwerpen worden besproken in het zesde Hoofdstuk: Straf, strafsoorten en mate van straf, het laatste in het vierde Hoofdstuk getiteld: „Het strafbare feit."

B. TEGENWOORDIGE STAND VAN HET VRAAGSTUK EN DE STRAFRECHTSTHEORIE VAN ONS WETBOEK

De moderne opvatting der straf, die vrij algemeen wordt gehuldigd, is deze, dat ze beschouwd wordt als een noodzakelijk middel ter bereiking van het staatsdoel, de handhaving der rechtsorde, welke noodzakelijk is, wil de mensen in vrijheid zijn zedelijke bestemming vervullen. Niet zoozeer over den rechtsgrond der straf loopt thans de strijd als Wel over het met de straf te hereiken doel. Met de aanwijzing van de noodzakelijkheid der straf voor handhaving der openbare rechtsorde achten velen tegelijk de rechtmatigheid vastgesteld en oordeelen ze elke nadere rechtvaardiging overbodig. Anderen daarentegen zijn van meening, dat de straf slechts dan als rechtvaardig mag worden aangemerkt, indien ze tevens de gerechte of zedelijke vergelding is voor het door het delict gepleegde onrecht. We hebben hier een tegenstelling tusschen doelstraf en vergeldingsstraf. Bij de voorstanders van de doelstraf is de straf uitsluitend doel, bij die van de vergeldingsstraf behoudt de straf tevens het karakter van vergelding, vergelding n.1. van de zich in het misdrijf openbarende zedelijke schuld van den delinquent. Uit het vergeldingsbeginsel wordt dan mede de eisch afgeleid, dat er evenredigheid moet zijn tusschen misdaad en schuld en straf.

Sluiten