Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

ALGEMEENE INLEIDING

Met de laatste opvatting kunnen zich niet vereenigen zij, die op den bodem van het determinisme staan, want met de ontkenning van het bestaan der wilsvrijheid, valt naar hun oordeel de zedelijke verantwoordelijkheid en daarmee de vergeldingsgrond der straf weg. De geloovige richting daarentegen, die in verband met de door haar verdedigde leer omtrent den goddelijken oorsprong van Staat en recht, zich op het standpunt van het indeterminisme plaatst, blijft in de straf een gerechte en zedelijke vergelding zien.

Tegenover het vergeldingsbeginsel staat ook de nieuwe of moderne strafrechtsrichting (sociologische strafrechtsschool). Deze vraagt bij alles wat het strafrecht betreft, dus o. a. bij strafbedreiging en strafoplegging, naar hetgeen het doel, bescherming der rechtsorde, vordert; meestal wordt daarbij dan de meeste waarde gehecht aan de werking van de straf op den dader, treedt dus de bijzondere preventie op den voorgrond en moet bij de keuze van strafsoort en de mate van straf niet zoozeer de aard en omvang van het misdrijf, maar de persoonlijkheid van den misdadiger, zijn misdadige, anti-maatschappelijke gezindheid den doorslag geven.

De klassieke leer (vergeldingsstraf) en de moderne strafrechtsschool staan intusschen in de praktijk niet zoover van elkaar als het verschil in theoretisch standpunt zou doen denken.

Wat nu tenslotte ons strafwetboek betreft, de wetgever heeft zich niet voor een bepaalde strafrechtstheorie uitgesproken; niettemin mag men veilig aannemen, dat de absolute theorie ons wetboek niet ten grondslag ligt, evenmin de afschrikkingstheorie. Bij het ontwerpen van het Ned. Wetboek van Strafrecht heeft men zich op het standpunt gesteld, dat de straf moest dienen ter bescherming der rechtsorde: daarbij werd echter uitdrukkelijk gestipuleerd, dat de afschrikking, verbetering en onschadelqkmaking als doeleinden der straf in aanmerking moeten komen. D&t wil dus zeggen, dat, hoewel de straf niet strekt tot verbetering, gestreefd moet worden de straf, voorzoover vereenigbaar met het allereerste doel, beveiliging der maatschappelijke orde, zooveel mogelijk te doen dienen ter voorkoming van verslechtering van den misdadiger, ter bereiking van diens verbetering. *)

1) Volgens het inheemsche strafrecht ligt het doel der straf voornamelijk in afschrikking en voldoening aan wraakgevoel enz. Van een op humanitair-ethische overwegingen steunend streven de straf ook dienstbaar te maken aan de zedelijke verbetering des misdadigers is geen spoor aanwijsbaar.

Sluiten