Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

ALGEMEENE INLEIDING

gaat er diensvolgens al heel gauw toe óver; een voorwerp, dat hij ziet en dat hem bevalt, wekt alree zijn hebzucht op en een onweerstaanbare drang om het zich toe te eigenen maakt zich van hem meester.

Ook schaamte, het z. g. n. „maloe maken" werkt niet zelden als oorzaak tot misdaad; de Inlander vreest niets zoozeer als in het bijzijn van anderen uitgelachen, bespot te worden; een spottende opmerking, soms van zeer onschuldigen aard, kan hem tot het plegen van een gruwelijk misdrijf brengen.1) Het bijgeloof, de lichtgeloovigheid werken ook in hooge mate mede; de Inlander is vatbaar voor het grofste bijgeloof, hij neemt elke bewering, hoe bespottelijk ze ook in onze oogen schijne, als ze maar met den noodigen ernst wordt geuit, grifweg aan. En dit schromelijke bijgeloof vindt men niet alleen bij den onontwikkelden desaman, ook bij de meer ontwikkelden, zooals Inlandsche hoofden, priajis vinden niet zelden de onzinnigste praatjes ingang.2)

*) Een merkwaardig voorbeeld daarvan levert het v. Rb. v. Omgang Bondowoso Sept. 1884, vermeld in het werk van de Gelder, blz. 40. Zekere Soedin had een manke vrouw zwanger gemaakt. Haar bloedverwanten drongen er op aan, dat hij haar zou trouwen, maar Soedin vreesde zich bloot te stellen aan de spotternijen zijner desagenooten en besloot dus de vrouw te dooden. Op zekeren dag lokte hij haar in een boschje, maakte de vrouw met zijn grasmes af en bond het lijk aan een boom vast. 't Opmerkelijke van het geval was, dat de meeste desalieden die handeling zeer natuurlijk vonden en het lijk begroeven zonder van den moord aangifte te doen, zeggende, dat de vrouw toch mank was.

*) 'n Paar frappante staaltjes daarvan: Zekere Javaan verdiende veel geld met te beweren, dat hij tegen betaling van een rijksdaalder iemand voor de cholera kon vrijwaren; zjjn macht daartoe ontleende hij aan de buitengewone lengte van zijn voorarm. Ind. W. 99, de Gelder Wz. 35. Zekere Karijo Joeto, hoofd der desa Kasebar, het allen ongehuwden vrouwen uit de desa een flink pak slaag toedienen, omdat 't zoo langen tgd niet geregend had. (Rb. v. Omgang Bangil 4 April 1883, aang. de Gelder blz. 36).

Hoe sterk dat bijgeloof ook nu nog bestaat, blijkt uit de volgende gevallen: in 1923 veroordeelde de Landraad van Kendangan een Boeginees Djoehri, die op wreede wqze een jong meisje gedood had, dat volgens hem een tong had met een zwart teeken, van welks lichaamsdeel hij een stuk wilde hebben. Hetzelfde jaar werd de zaak berecht van den Boeginees Batjo, die te Tandjong bij Kloea een moord pleegde op vier jonge kinderen, die zich op een sawah bezighielden met het vangen van visch. De drijfveer van de daad bleek te zjjn winstbejag. Het bijgeloof bestaat n. 1., dat bij den bouw van een nieuwe brug of een woning menschenschedels of menschenoogen noodig zjjn, wil er voorspoed zijn. Toen nu een Japanner in die streek een rubberfabriek oprichtte, fluisterde de menigte al spoedig, dat daarvoor menschenschedels gezocht werden. Tuk op een geldelijke belooning, maakte Batjo zich van de schedels dier kinderen meester en bracht ze bij den Japanner (tjoelik, t j oelikvr ees, parèpèh).

Sluiten