Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

GESCHIEDENIS VAN HET STRAFRECHT

artikel 1 werd overigens het voor Europeanen en Inlanders bestaande strafrecht gehandhaafd verklaard, behoudens de toepassing van de in de toen ingevoerde nieuwe wetgeving voorkomende strafbepalingen en de bij boven aangehaald Stbl. 1848 No. 6 vastgestelde faiUissementsmisdrrjven.

In den loop der eerste helft der negentiende eeuw bestond de neiging om op de Inlanders behalve het strafstelsel ook andere deelen van het Europeesche strafrecht toepasselijk te verklaren. ,Wel bepaalde art. 25 A. B., dat de Inlanders naar de Inlandsche wetten zullen worden gestraft, maar dit artikel voegde eraan toe, dat dit zoo Was, behalve voor zoover het misdrijven of overtredingen gold, ter zake waarvan ze aan de Europeesche strafbepalingen waren onderworpen.1)

Naast deze wettelijke uitbreiding van het Europeesche strafrecht op de Inlandsche bevolking kwam echter onder invloed van de rechtspraak en de praktijk een nog veel grootere feitelijke toepassing daarvan, doordien de vele leemten van het inheemsche strafrecht in de rechtspraak in die richting aanvulling vonden, immers de rechter bleek al aanstonds het Europeesche recht als het richtsnoer bij! uitnemendheid te beschouwen „der algemeen erkende beginselen van recht."

In 1854 kwam het R. R. tot stand. Art. 75 daarvan stelde tot eisch een algemeene verordening van het voor Europeanen geldende strafrecht. Ten aanzien van de Inlanders en Vreemde Oosterlingen werd het aan den Wetgever overgelaten die verordening, desnoods gewijzigd, op hen toepasselijk te verklaren, dan wel het adatstrafrecht ten hunnen opzichte te doen gelden. Als we nu denken aan de omstandigheid, dat ten tijde van de afkondiging van het R. R. het Europeesche strafrecht, althans in de Gouvernementslanden, door wet en praktijk voor

!) Dit was bijv. het geval met betrekking tot de overtreding van fiscale verordeningen, pacbtvoorwaarden, valsche munt Stbl. 1822 No. 32 den slavenhandel Stbl. 1825 No. 34, vagebondage Stbl. 1825 No. 34. Bij het in den tekst genoemde Stbl. 1848 No. 6 werden de Inlanders onderworpen aan het in het Europeesche strafrecht bepaalde omtrent de onderscheiding van misdrijf en overtreding, omtrent de verzachtende omstandigheid gelegen in den jeugdigen leeftijd van beklaagde, verbeurdverklaring en de misdrijven van oplichting, misbruik van vertrouwen en stellionaat.

Sluiten