Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESCHIEDENIS VAN HET STRAFRECHT

31

daarom aan den toenmaligen Directeur van Justitie Buijn opdracht gegeven om het Nederlandsche strafwetboek van 1881 voor Indië pasklaar te maken; dit ontwerp werd in 1886 ingediend, maar bracht het niet tot het staatsblad. In 1887 werd in Nederland een commissie benoemd met eenzelfde opdracht Die commissie bood in 1891 de Koningin een ontwerp aan, dat geworden is het K. B. van 12 April 1898 No. 30 Stbl. 175; dit wetboek van strafrecht voor Europeanen trad echter nimmer in werking. In 1901 werd een voorstel ingediend voor een nieuw strafwetboek voor Inlanders, doch ook dit mocht geen bindende kracht verkrijgen. Beide regelingen zijn niettemin van grooten invloed geweest bij de samenstelling van het thans vigeerende wetboek en hebben den samenstellers daarvan in menig opzicht tot leidraad gediend.

Intusschen had zich echter in den aanvang; dezer eeuw aan den politieken horizon het streven naar unificatie van recht voorgedaan en vestigde zich de meening, dat een strafwetboek voor alle landaarden de eerste stap op dien weg zou kunnen zijn. In 1906 ontving Mr. F. C. Hekmeijer van de regeering opdracht een ontwerp van een dusdanig wetboek samen te stellen. Ontwerp en Toelichting werden daarna in behandeling genomen door de Bijzondere Commissie uit de Staatscommissie voor het privaat- en strafrecht, bestaande uit de heeren Mrs. A. Stibbe, W. C. Veenstra, J. J. Hagen en H. J. S c h e u e r. In 1911 eerst met haar arbeid begonnen, was het ontwerp in 1913 gereed, waarop het in dat jaar aan den Minister van Koloniën werd aangeboden. Nadat de adviezen van enkele Indische autoriteiten Waren ingewonnen en de Raad van State op het ontwerp Was gehoord, werd het, slechts in enkele opzichten gewijzigd en aangevuld, bij K. B. van 15 October 1915 Ned. Stbl. 33 vastgesteld en in datzelfde jaar bij Stbl. 732 hier te lande door den G. G. afgekondigd.x) Het tijdstip van inwerkingtreding zou echter, hetzij door de

1) Naar de meening van sommigen vormden de 3de t/m de 6de alinea van art. 75 R. R. (oud) een beletsel voor de invoering van een algemeen geldend wetboek van strafrecht. De regeering deelde intusschen die meening niet en vereenigde zich met de ook door Prof. C. van Vollenhoven verdedigde opvatting, dat genoemde 4 alinea's van art. 75 alleen op het privaatrecht betrekking hadden.

Sluiten