Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STRAFWET

61

indien verandering van de wetgeving plaats grijpt tusschen het tijdstip, waarop het feit werd begaan en dat, waarop de berechting plaats vindt?" Moet dan de strafwet gelden, die van kracht was tijdens het plegen van het feit of die welke vigeerende is op het tijdstip der berechting? Ar. 1 al. 1 leert ons1, dat de wetgever in eersten zin heeft beslist; want dit luidt: „geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling." Diensvolgens kan in principe de strafwet slechts worden ingeroepen tegen een feit na haar inwerkingtreding gepleegd.

De strafwet, gelijk trouwens in beginsel ook iedere andere wet, heeft geen terugwerkende kracht, werkt slechts voor het toekomende en dit beginsel heeft de wetgever, geleid door de zorg voor de rechtszekerheid der justiciabelen, zij1 het ook in andere woorden, in art. 1 al. 1 tot uitdrukking willen doen komen. Hierop is hij echter nu zelf in de tweede alinea op billijkheidsgronden teruggekomen.1) Indien toch een mildere volksovertuiging in de latere wet uitgedrukt wordt, moet deze ook worden toegepast en dan behoort niet recht te worden gedaan volgens een wilsuiting van den wetgever, die diens wil niet juist meer weergeeft. „Bij verandering in de Wetgeving na het tijdstip, waarop het feit begaan is, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast."2) Bij verandering in de wetgeving enz. komt dus in de eerste plaats voor toepassing de oude strafwet in aanmerking, maar voorzoover de nieuwe (gewijzigde) strafwet een voor den verdachte gunstiger bepaling inhoudt, wordt deze laatste toegepast.

Dat „gunstiger" kan betrekking hebben op de kwestie der strafbaarheid zelve, op den vorm der aansprakelijkheid, de voorwaarden der strafbaarheid, strafsoort, strafmaat, het verval van

1) Dit doemde is de wetgever niet in strijd gekomen met art. 2 A.B.: „de wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geen terugwerkende kracht". Dit voorschrift toch richt slechts een verbod aan het adres van den rechter, maar laat 's wetgevers bevoegdheid ongemoeid.

2) Eigenlijk behoefde art. 1 al. 2 slechts gewag te maken van het geval dat de nieuwe wet gunstigere bepalingen voor den verdachte inhoudt; immers de gunstigere bepalingen der oude wet komen, krachtens het beginsel der niet-terugwerkende kracht der strafwet, in elk geval in aanmerking.

Sluiten