Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STRAFWET

67

feit volgens de wet van het land, waar het gepleegd is, eveneens strafbaar is.1)

De doodstraf kan echter in dit geval, krachtens art. 6, slechts worden opgelegd, indien op het misdrijf, zoowel hier als in het land waar het gepleegd is, die straf is gesteld. De vervolging ter zake van een feit in art. 5 sub 2 bedoeld kan ook plaats hebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit ingezetene van Ned.-Indië wordt.

'n Uitvloeisel van hetzelfde actieve nationaliteitsstelsel is mede het in art. 7 bepaalde. Dit voorschrift verklaart de Ned.Indische strafwet toepasselijk op den Ned.-Indischen ambtenaar,2) die buiten Ned.-Indië zich schuldig maakt aan een ambtsmisdrijf, vermeld in den XXVIIIsten Titel van het Ilde Boek.

Een derde stelsel, dat van een weer beperktere toepassing is dan het tweede, is het z.g.n. beschermings- of passief nationaliteitsstelsel. Hierbij vraagt men noch naar de plaats van het delict, noch naar de nationaliteit van den dader, maar, om zoo te zeggen, naar de nationaliteit van het door het misdrijf getroffen rechtsgoed. De staat, wiens rechtsgoed door het misdrijf geschonden is, is bevoegd den dader daarvan te straffen. Dit beginsel nu vindt zijn erkenning in art. 4 sub 1, 2 en 3, want daar wordt onze strafwet toepasselijk verklaard op eenige. strafbare feiten, buiten Ned.-Indië gepleegd, onverschillig of de dader al of niet een Ned.-Indische ingezetene is, met het oog op het rechtsgoed (n.1. belangen van de Ned.Indische rechtsgemeenschap),waartegen die feiten gericht zijn.3)

1) v. Hamel (blz. 178) merkt op, dat dus straffeloos zullen zijn misdrijven in open zee buiten eenig vaartuig of in niet tot eenig beschaafd staatsgebied behoorende streken begaan; of feiten door de leemten eener vreemde strafwetgeving niet onder straf gesteld.

2) Zie voor het begrip „ambtenaar" art. 92 Swb. en hieronder § 45. s) Deze feiten, die alle het gemeenschappelijk karakter dragen, dat ze de

belangen van de Ned.-Ind. rechtsgemeenschap aantasten, zijn: le de misdrijven omschreven in de artt. 104-110, 127 en 130-133, d.z. de voornaamste v. d. misdrijven tegen de veiligheid v.d. Staat en de Koninklijke waardigheid, 2° eenig misdrijf t. a. v. muntspeciën, muntbiljetten van Ned.-Indië of van wege de regeering in Ned.-Indië uitgegeven zegels en merken; 3e valschheid in schuldbrieven of certificaten van schuld ten laste van Ned.Indië, van een gewest of een gedeelte van een gewest, hetzij in de tot een dezer stukken behoorende talons, dividend- of rentebewijzen of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven, hetzij in biljetten eener krachtens algemeene verordening opgerichte Ned.-Indische circulatiebank, of het opzettelijk gebruik maken van eenig der hiervermelde geschriften.

Sluiten