Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

DE STRAFWET

Op hetzelfde beginsel berust art. 8, hetwelk de Ned.-IndiSche strafwet toepasselijk verklaart op den schipper en de opvarenden van een Ned.-Indisch vaartuig, die zich buiten Ned.Indië, ook buiten boord, schuldig maken aan scheepvaartmisdrijven (Boek II Titel XXIX) of scheepvaartovertredingen (Boek III Titel IX).

Tenslotte het vierde stelsel, het z.g.n. universaliteitsstelsel. Dit stelsel, waarbij uitgegaan wordt van een algemeen geldend wereldstrafrecht en het bestaan van internationale rechtsbelangen, kan, waar dusdanig „wereldrecht" nog niet bestaat, slechts in beperkte mate in toepassing komen. Het hierbedoelde beginsel brengt mee, dat de strafwet van toepassing is, onverschillig waar, door wien en tegen wien een strafbaar feit wordt gepleegd. Het geldt naar onze wet alleen t. a. v. het misdrijf van zeeroof en het opzettelijk brengen van een Ned. of een Ned.-Indisch vaartuig in de macht van zeeroovers, door of tegen wien ook gepleegd, (artt. 4 sub 4 jo 438, 444 en 447 Swb.)

§ 11. Volkenrechtelijke en Staatsrechtelijke uitzonderingen.

Art. 9 Swb. bepaalt, dat de in de vorige § behandelde voorschriften omtrent de werking der strafwet beperkt worden door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Sommige personen genieten n. 1. krachtens de regels van het volkenrecht het recht van exterritorialiteit, d.w.z. dat ze wanneer ze zich op het gebied van een vreemden staat bevinden, niet aan de strafwet van dien staat zijn onderworpen en in verband daarmee onttrokken zijn aan diens rechtsmacht, i)

Tot de personen, die het recht van exterritorialiteit genieten, worden vrij algemeen gebracht: vreemde souvereinen, regeerende vorsten of andere hoofden van bevriende staten, met hun familieleden en hun gevolg; vreemde gezanten met ge-

x) De strekking van art. 9 Swb. is, dat de wetgever den rechter, die ingevolge art. 20 A. B. volgens de wet moet rechtspreken, er heeft aan Willen herinneren, dat hij bij zijn rechtspraak rekening moet houden met de erkende volkenrechtelijke uitzonderingen. Met v. Hamel (blz. 186) acht ik art. 9 niet overbodig, juist in verband met art. 15 A. B., dat den rechter alleen dan de bevoegdheid geeft met de gewoonte rekening te houden, wanneer de wet daarop verwijst.

Sluiten