Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV. HET STRAFBARE FEIT

§ 13. Algemeen begrip van het strafbare feit en zijn hoofdbestanddeelen.

A. HET ALGEMEEN BEGRIP

Het strafbare feit, het delict,1) als algemeen begrip, kunnen we definieeren als een wettelijk omschreven verboden menschelijke gedraging, welke onrechtmatig, is,2) strafwaardig en aan schuld is te wijten. Ter aanduiding van dit begrip bedient de strafwet zich van de uitdrukking „strafbaar feit" (vgl. artt. 2. 55 enz.)

We willen thans aan de hand van bovenopgestelde formuleering het strafbare feit in zijn hoofdbestanddeelen ontleden en kunnen dan onderscheiden: uitwendige (feitelijke, objectieve) bestanddeelen en het inwendige (subjectieve) bestanddeel. 3)

B. DE UITWENDIGE OF OBJECTIEVE BESTANDDEELEN

Ten eerste behoort daartoe de menschelijke gedraging, d.i. -de daad, de handeling, waardoor het feit tot stand komt. In

i) v. Ossenbruggen blz. 80 geeft de voorkeur aan „delict" boven .strafbaar feit", omdat het woordje „feit" een gebeurtenis of _een toestand t'e kennen geeft, terwijl men in de uitdrukking „strafbaar feit" er een gebeurtenis van zeer bijzonderen aard mee wil uitdrukken n. 1. een toerekenbare normovertreding. In de werken der rechtsgeleerde schrijvers worden intusschen beide uitdrukkingen afwisselend gebezigd.

*) De onrechtmatigheid vloeit reeds voort uit de omstandigheid, dat de gedraging wettelijk verboden is.

3) Anders dan de in den tekst gehuldigde opvatting, die zich aansluit bij die van Simons en v. Hamel, beschouwt v. Zevenbergen die beantwoording der handeling aan de wettelijke delictsomschrijving niet als een element van het begrip strafbare feit, maar als een logische eerste eigenschap der handeling als strafbaar feit. En dan noemt schrijver onrechtmatigheid, schuld, strafwaardigheid en het voldoen aan de bijkomende voorwaarde van strafbaarheid, een 2de, 3de, 4de en 5de eigenschap van het strafbare feit.

Sluiten