Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET STRAFBARE FEIT

75

bestanddeel van het strafbare feit.1) Zie hieronder § 27.

Een derde eisch is die der strafwaardigheid, of strafbaarheid d. w. Z., dat de Wet aan de niet-naleving van zijn voorschrift een bepaalde straf als rechtsgevolg heeft vastgeknoopt. De onrechtmatigheid en de strafbaarheid vallen in het strafrecht als regel samen. Met het wegvallen van de onrechtmatigheid valt echter ook strafbaarheid en is er dus geen strafbaar feit meer aanwezig. De wetgever heeft in den Derden Titel ten aanzien van alle strafbare feiten bepaalde omstandigheden opgenoemd, bij welker aanwezigheid de onrechtmatigheid en daarmee de strafbaarheid van een in het algemeen onrechtmatige handeling worden opgeheven. Bedoeld worden hier de z.g.n. algemeene rechtvaardigingsgronden, d. z. gevallen, waarin de dader heeft gehandeld in noodtoestand (art. 48), in noodweer, (art. 49), ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (art. 50) of ambtelijk bevel (art. 51).

Behalve deze algemeene rechtvaardigingsgronden heeft hij echter onder bepaalde omstandigheden bij enkele speciale delicten de niet-onrechtmatigheid uitgesproken, dat is bv. het geval bij de artt. 164, 165 in verband met art. 166 en bij art. 221 in het geval in de slotalinea omschreven, zoomede bij het misdrijf van smaad en smaadschrift, art. 310. al 3 (bijzondere rechtvaardigingsgronden).

Van deze gevallen moeten wel onderscheiden worden andere, veel minder talrijk, waarin een handeling, onder bepaalde omstandigheden gepleegd, haar strafwaardig karakter verliest, maar niettemin haar onrechtmatigheid blijft behouden. Men spreekt hier van gronden, die de strafwaardigheid uitsluiten, een voorbeeld hiervan is art. 367 al. 1. Wanneer bijv. de eene echtgenoot van den ander iets steelt; de handeling is dan wel onrechtmatig, wettigt een civielrechtelijke

i) Bij sommige strafbare feiten (bijv. de artt. 167, 335, 362 enz.) wordt echter door de wet van het „wederrechtelijke" der handeling of van het met de handeling te bereiken oogmerk als een afzonderlijk element van het delict melding gemaakt. In die gevallen moet dus in de acte van ten lastelegging het element der wederrechtelijkheid van de handeling c. q. van het oogmerk uitdrukkelijk worden opgenomen en in het vonnis daarvan bewns worden geleverd.

Sluiten