Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

HET STRAFBARE FEIT

ringsvermogen, het onder invloed van bepaalde voorstellingen op normale wijze handelen.1)

In ons recht wordt de volwassen, psychisch gezonde mensch als toerekeningsvatbaar beschouwd; van hem Wordt aangenomen, dat hij in staat is de gevolgen van zijn handelingen na te gaan, maatschappelijke verhoudingen en toestanden in het algemeen te begrijpen en daarnaar zijn gedragingen in te richten. De geestelijke eigenschappen, die den normalen mensch kenmerken en waaraan de wet de toerekeningsvatbaarheid vastknoopt, worden, als gezegd, niét door haar opgesomd; ze bepaalt zich er slechts toe de gronden aan te geven, waarop de nietaanwezigheid dier eigenschappen moet worden aangenomen en dus op' grond van ontoerekeningsvatbaarheid de strafbaarheid van den dader is uitgesloten (z.g.n. gronden van uitsluiting der toerekeningsvatbaarheid).2)

D. TOEREKENBAARHEID DER HANDELING AAN SCHULD

Naast den sub C genoemden algemeenen eisch, zoowel voor misdrijven als voor overtredingen geldende, komt voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid nu nog, dat de handeling aan de schuld van den dader is te wijten. Die schuld kan zich in tweeërlei vorm voordoen n. 1. als do lus (opzet) en culpa (schuld in engeren zin). Beide kunnen betrekking hebben óf op het intreden van een door de wet verboden gevolg óf op de omstandigheden, waaronder de strafbare handeling plaats vond.

x) Toerekeningsvatbaarheid is die geestestoestand van den mensch, welke hem an staat stelt le de feitelijke strekking zijner handelingen te beseffen 2e het maatschappelijk ongeoorloofde dier handelingen in te zien en 3e ten aanzien dier handelingen zijn wil te bepalen. Cf. v. Hamel blz. 387/388 Hoewel wordt toegegeven, dat naar het geldend recht de sub 2 gestelde eisch geen voorwaarde vormt voor de toerekeningsvatbaarheid en ook het opzetbegnp dien eisch niet in zich sluit, meen ik, dat de rechtvaardigheid vordert, dat de strafwet alleen worde toegepast op hem, die het verboden karakter zijner handeling kende.

Zie hierover hieronder in deze § sub G.

2) De rechter is alleen dan verplicht een onderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid in te stellen, wanneer hetzij door het O. M., hetzij door of namens den beklaagde een daartoe strekkend verzoek is gedaan, dan wel indien de rechter ambtshalve termen voor zoodanig onderzoek aanwezie acht. Vgl. H. R. 10 Mei 1897 W. 6974 en 11 Dec. 1905 W. 8311.

Sluiten