Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET STRAFBARE FEIT

111

artikel verder zóó geredigeerd, dat er niet meer een bepaald verband gevorderd werd tusschen de krankzinnigheid en het gepleegde strafbare feit.*)

Art. 44 luidt thans: „Niet strafbaar is hij, die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner versta ndelijke vermogens niet kan worden toegerekend."

Art. 30 (33) Swb. oud luidde: „Er is noch misdrijf noch overtreding, wanneer de beklaagde tijdens het plegen van het feit in staat van krankzinnigheid verkeerde, of wanneer hij door overmacht werd gedrongen." Deze regeling der gronden van niettoerekeningsvatbaarheid was geheel onvoldoende en uit psychiatrisch oogpunt aan ernstige critiek onderhevig; het woord „krankzinnigheid" was veel te eng, doelde slechts op een bepaalden vorm van geestesstoornis en daardoor werden vele andere gronden feitelijk wettelijk onvermeld gelaten.*)

Ons art. 44 geeft een veel hetere regeling dan die vervat in art. 30 (33) Swb- oud; thans heeft de strafrechter ten volle gelegenheid om te letten op tal van invloeden, die milieu, omstandigheden, ontwikkeling en opvoeding op den dader hebben uitgeoefend. Psychologie en psychiatrie hebben voor het strafproces een vroeger onbekende beteekenis gekregen. De rechter toch zal, Wanneer hij1 redenen heeft aan beklaagdes toerekeningsvatbaarheid te twijfelen, zich omtrent den psychischen toestand van dezen door deskundigen (psychiaters) laten

1) Al wordt echter niet meer het hier aangegeven verband gevorderd, toch zal de rechter hebben te beslissen, dat het gepleegde feit den dader niet kan worden toegerekend; maar het groote verschil is, dat, terwijl naar den oorspronkelijken tekst de rechter de met-toerekeningsvatbaarheid alleen kon uitspreken op grond, dat de dader wegens krankzimngheid enz. met in staat was geweest t. a. v. het feit zijn wil te bepalen, thans door hem het ontbreken van de toerekeningsvatbaarheid kan worden aangenomen op grond van een in het algemeen bij den dader geconstateerde geestesstoornis. Zie over de geschiedenis van art. 37 Ned. Swb. Smidt I blz. 364 — 383. j

2) De Ned.-Indische rechtspraak heeft intusschen steeds aan het woord .krankzinnigheid" in art. 30 (33) Swb. oud een uitgebreide beteekenis gehecht en liet daaronder vallen élke stoornis der geestvermogens, die de zielsziektenleer als een bepaalden ziektevorm kent.

Sluiten