Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

HET STRAFBARE FEIT

kapiteins, soldaten, politieagenten, brandweerlieden). Niet bepaald noodig voor de opheffing der strafbaarheid is het, dat het geweld of de bedreiging met geweld juist tegen den handelenden persoon zelf gericht was; Wanneer het geweld of de bedreiging met geweld gericht was tegen iemands echtgenoote of diens naaste betrekkingen kan eveneens een beroep op overmacht gedaan worden.*) Enkel moreel overwicht van den eenen persoon op den ander zal echter nimmer als overmacht kunnen gelden. *t Handelen door een zoon op bevel van den vader of door de vrouw op bevel van haren man, neemt, al oefenen deze personen door hun meerderen leeftijd, stand of ontwikkeling een bijzonderen invloed uit, de aansprakelijkheid van den zoon of de vrouw, die ingevolge het bevel handelde, niet weg.2)3)

Tenslotte zij opgemerkt, dat ook aJ is de geoefende dwang in eenig geval niet van dien aard, dat hij een beroep op overmacht wettigt, hij toch wel grond kan opleveren tot verlichting van straf bij de straftoemeting.

Voor de overschrijding van noodweer zie hieronder § 29 D.

§ 24. Jeugdige leeftijd A. REGELING ONDER HET OUDE STRAFWETBOEK Onder de heerschappij der vroegere strafwetgeving had men zich weinig met de criminaliteit der jeugdige personen beziggehouden. De afgeschafte wetboeken kenden niet een bepaalden leeftijd, beneden welken de strafrechtelijke aansprakelijkheid van het kind uitgesloten was. Veroordeelingen van heel jonge kinderen waren dus mogelijk en kwamen dan ook voor.

!) Op grond echter van bedreiging tegen het leven van een vreemde kan nimmer een beroep op overmacht worden gedaan.

2) Vgl. Noyon aant. 11 ad art. 40.

3) In de praktijk komt het nog al eens voor, dat bij een strafvervolging van den man wegens diefstal, diens vrouw, aan wie de man het gestolen goed in bewaring c. q. ter verpanding of ten verkoop heeft gegeven, mede wegens heling in de zaak betrokken wordt. Gelijk opgemerkt kan hier van overmacht geen sprake zijn. Intusschen, waar het een bekend feit is, dat de Inlandsche vrouw meestal blindelings de bevelen van haar man opvolgt en niet durft weigeren het goed in ontvangst te nemen c. q. te verpanden of te verkoopen, acht ik een dergelijke vervolging van de vrouw die moeilijk anders kan uitloopen dan op een veroordeeling, niet gerechtvaardigd, tenzg bewezen zij, dat de vrouw, bekend met de misdadige herkomst van het goed, vrijwillig dat goed in ontvangst heeft genomen Vgl. Boekoe Penoentoen blz. 49 II N. B.

Sluiten