Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

HET STRAFBARE FEIT

uit de omstandigheid, dat de handeling in strijd is met de norm en is dus niet een door den rechter in elk speciaal geval vast te stellen bestanddeel van het delict.1)

De met-wederrechtelijkheid, van de overtreding van een Wettelijke gebods- of verbodsbepaling mag door den rechter slechts worden aangenomen, indien en voorzoover het positieve recht zelf op de algemeenheid zijner wetsvoorschriften een uitzondering heeft vastgesteld.

De wetgever heeft nu in de artt. 48-51 ten aanzien van alle strafbare feiten omstandigheden opgenoemd, waarin de onrechtmatigheid van een in het algemeen strafbare handeling wegvalt, d. z. de z. g. n. algemeene rechtvaardigingsgronden. Daarnaast heeft hij verder hij enkele bijzondere delicten in bepaalde gevallen de met-onrechtmatigheid uitgesproken.2)3)

De afwezigheid van een algemeenen of bijzonderen rechtvaardigingsgrond behoeft niet in de tenlastelegging te worden opgenomen, noch te Worden bewezen, 't Ligt op den weg van den beklaagde zich op het bestaan van zoodanigen alg. of bijzonderen rechtvaardigingsgrond te beroepen en dezen den rechter te bewijzen, althans aannemelijk te maken. Verg. Arr. Hof Amsterdam 23 Januari 1889 W. 5710 en Arr. H. R. 2 November 1896 W. 6879.

B. DE WEDERRECHTELIJKHEID EEN ZELFSTANDIG ELEMENT VAN HET DELICT Bij sommige strafbare feiten wordt echter door de wet van het wederrechtelijke der handeling of van het met de handeling te bereiken oogmerk wel als een afzonderlijk element melding gemaakt Zoo büjv.in de artt. 167 en 168, zonder dat voor de strafbaarheid opzet t.a.v. de wederrechtelijkheid der handeling behoeft te bestaan en in artt. 189 en 190, waar het

*) Naar een andere opvatting echter is de rechter bevoegd in elk bijzonder geval de onrechtmatigheid der strafbare handeling te onderzoeken, die te toetsen aan algemeene rechtsbeginselen, ja zelfs de toepassing der strafwet buiten werking te stellen, als naar zijn subjectieve rechtsopvatting in een speciaal geval de wederrechtelijkheid eener in het algemeen strafbare handeling niet aanwezig is.

2) Bv. de artt. 164, 165 j°. 166, 221 in het geval in de slotalinea omschreven en tenslotte bij het misdrijf van smaad en smaadschrift, art. 310 al. 3.

3) De met-onrechtmatigheid kan intusschen ook berusten op een elders dan in het strafrecht gegeven rechtsvoorschrift.

Sluiten