Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET STRAFBARE FEIT

149

lang moet een zekere evenredigheid in waarde bestaan. Zijn die belangen niet gelijkwaardig, dan is in het algemeen alleen het prijsgeven van het minderwaardig e teneinde het meerwaardige te behouden geoorloofd. Men denke hier aan de reddingsboot, waarin nog slechts plaats is voor een persoon of een koffer met kostbaren inhoud.

II Het gevaar, waaruit de handelende het rechtsbelang heeft gered, moet werkelijk bestaan hebben en dringend zijn geweest, 't Moet dus niet slechts in diens verbeelding bestaan hebben. *)

III De handelende moet zich niet uit het gevaar op andere wijze hebben kunnen redden.*)

IV Een beroep op noodtoestand kan niet gedaan worden door hen, wier beroep of plicht medebrengt die gevaren te trotseeren (soldaten, schippers, schepelingen, brandweermannen).

D. GROND VAN DE NIET-STRAFBAARHEID VAN DE NOODTOESTANDHANDELING

De handeling in noodtoestand verricht blijft dus straffeloos, zeiden we, omdat de wederrechtelijkheid daarvan wegvalt. Die meening wordt echter niet algemeen gedeeld. Sommigen zoeken den grond der niet-strafbaarheid in de niet-toerekeningsvatbaarheid des daders.2) Naar de zienswijze van anderen blijft de in noodtoestand verrichte handeling onrechtmatig, doch wordt alleen haar strafbaarheid opgeheven. Tenslotte wordt het bestaan van een noodrecht aangenomen.3)

De eerstgenoemde opvatting komt me voor de juiste te zijn. De wetgever heeft zijn verbods- en gebodsvoorschriften niet geschreven voor buitengewone gevallen als die waarin bij noodtoestand gehandeld wordt. Men kan zeggen, dat 's wetgevers normen voor die gevallen als niet bestaande mogen worden beschouwd, waaruit volgt, dat dus ook de handeling haar onrechtmatig karakter verliest.

1) Met betrekking tot de punten II en III zij opgemerkt, dat ofschoon het oordeel dienaangaande des daders volstrekt niet maatstafgevend is, toch mag rekening gehouden worden met een onder de gegeven omstandigheden redelijk en nauwgezet gevormd oordeel des daders. Of. v. Hamel blz. 296.

2) Aldus de Mem. v. Toel. Ned. Swb„

s) Slechts in heel enkele gevallen vinden we in onze wet een noodrecht erkend, nl. in de artt. 367-374 W. v. Kph.

Sluiten