Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

HET STRAFBARE FEIT

E. „BUITEN NOODZAAK"

In verschillende artikelen onzer strafwet vinden we een zekere daarin omschreven handeling slechts strafbaar gesteld, indien ze „buiten noodzaak" werd verricht, zoo bijv. in de artt. 468, 469, 470, 471, 475 en 512. In al die gevallen zal dus de tenlastelegging moeten inhouden, dat tot het verrichten der handeling geen noodzakelijkheid bestond, terwijl de nietnoodzakelijkheid ook in het vonnis zal dienen te worden bewezen verklaard.

§ 29. Noodweer1) A. BEGRIP

We dienen noodweer goed te onderscheiden van den in de vorige § behandelden noodtoestand. Bij noodweer verdedigt men zich tegen een wederrechtelijke aanranding, handelt men, omdat men aangevallen wordt en treedt men dus défensief op. Bij noodtoestand daarentegen wordt men niet aangevallen, doch treedt men zelf aanvallend, offensief op. Hier staat recht tegenover recht, bij noodweer daarentegen recht tegenover onrecht.

B. RECHTSGROND VAN DE STRAFFELOOSHEID DER NOODWEERHANDELING

De in noodweer gepleegde handeling wordt niet gestraft, omdat hij, die zich tegen een wederrechtelijken aanval verzet, niet onrechtmatig handelt, maar gebruik maakt van het aan ieder toekomend recht zich tegen onrecht te verdedigen. Het verbod van eigenrichting valt hier weg en de Staat erkent de bevoegdheid om een niet anders af te wenden we-

In het vroegere strafrecht werd de noodweer meest casuïstisch behandeld, d. w. z. de noodweer werd slechts erkend en geregeld bij bepaalde misdrijven; eerst in de wetgevingen van lateren tijd treft men een algemeene regeling van dit onderwerp in de z. g. n. „algemeene leerstukken". Intusschen de i n noodweer verrichte handeling zal in de overgroote meerderheid der gevallen wel in doodslag of mishandeling bestaan.

Sluiten