Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET STRAFBARE FEIT

151

derrechtelijken aanval desnoods door een in het algemeen strafbare handeling te keeren.x)

C. VEREISCHTEN VOOR DE NOODWEERHANDELING

I. Noodweer is, gelijk opgemerkt, een handeling ter verdediging en eischt dus in de eerste plaats een aanval en wel een feitelijken aanval, d.i. een zoodanige, die op ons gedaan wordt door feitelijkheden, daden, niet met woorden alleen.

Die aanval —de wet spreekt van aanranding — moet zijn een oogenblikkelijke of onmiddellijk dreigende. De woorden „onmiddellijk dreigende" treft men in het correspondeerende artikel Ned. Swb. niet aan. Bedoeling dier inlassching is uitdrukkelijk te doen uitkomen, dat het niet absoluut noodig is, dat op het oogenblik der verdediging de aanval reeds aangevangen was. Ook een onmiddellijk dreigende, doch nog niet begonnen aanranding kan het verrichten van een noodweerhandeling dus rechtvaardigen.2) Maar de aanranding moet een oogenblikkelijke zijn, hetgeen deze beteekenis heeft, dat geen bloote aankondiging van toekomstig te oefenen geweld voldoende is, maar dat er moet zijn een handeling, die, hoewel zelve nog geen geweldpleging zijnde, het onmiddellijk dreigende ervan in zich sluit.

Zoodra de aanval is geëindigd, het geweld is opgehouden, is

!) Eigenrichting wil zeggen „zijn eigen rechter zijn". Bv. A ontdekt, dat B hem een paar dagen tevoren een patjol ontstolen heeft. Hij dringt nu B's woning binnen en neemt zijn eigendom terug.

Eigenrichting is in onze wet nergens als een bijzonder delict strafbaar gesteld. Toch begeeft men zich door eigenrichting te plegen op een gevaarlijk terrein, want de kans is groot, dat men daarbij in conflict handelt met één of meer artikelen der strafwet (bv. art. 167, huisvredebreuk, 361, mishandeling enz).

2) Een beperktere opvatting van noodweer, aldus werd die toevoeging gemotiveerd, zou niet voldoende rekening houden met toestanden, zooals die op het uitgestrekte grondgebied van Ned.-Indië voorkomen bijv. in de diepe binnenlanden waar veel geringere waarborgen voor de veiligheid van persoon en goed aanwezig zijn dan op de hoofdplaatsen. Wanneer men ook voor die gevallen er steeds aan vasthield, dat voor de wettigheid der noodweerhandeling de aanranding reeds moest aangevangen zijn, zou de eenzaam wonende. Europeaan met de zijnen bij een aanval van rooverbenden enz. in de meeste gevallen een wissen dood tegemoet gaan of zijn eigendommen aan plundering zien prijsgegeven zonder iets te kunnen uitrichten tot tijdige afwending van het gevaar. Vgl. Off. Besch. blz. 174-175.

De toegevoegde woorden acht ik intusschen met Noyon (aant. 5 ad art. 41) inderdaad overtollig.

Sluiten