Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET STRAFBARE FEIT

159

Het is duidelijk, dat de hier bedoelde personen voor de handelingen in de uitoefening en binnen de grenzen van hun beroep verricht, straffeloos behooren te zijn. De moeilijkheid is echter den rechtskundigen grond voor die straffeloosheid aan te wijzen.

'n Veel verdedigde meening is, dat dergelijke verrichtingen niet als mishandeling kunnen worden aangemerkt.x) Andere schrijvers zien er echter wel mishandeling in, waar de handeling valt onder het opzettelijk toebrengen van pijn (letsel); de niet-strafbaarheid steunt volgens hen daarop, dat de mishandeling door de toestemming van den patiënt haar wederrechtelijk karakter verliest, terwijl speciaal brj abortus als grond van de straffeloosheid overmacht (noodtoestand) wordt aangenomen. s)

Juister lijkt het mij echter den grond van de niet-strafbaarheid van den medicus enz. te zoeken in de omstandigheid, dat deze personen handelen ter uitoefening van een beroep, waartoe ze wettelijk zijn toegelaten; 't zou toch ongerijmd zijn de genees-, heel- en verloskunde als wetenschap en beroep te erkennen, personen tot de uitoefening daarvan toe te laten, maar de handelingen verricht ter uitoefening van hun wetenschap en beroep strafbaar te stellen. De rechtvaardigingsgrond schuilt dus in het beroepsrecht.s)

't Spreekt van zelf, dat de geneesheer en heelkundige, hoewel vrij in de keuze hunner genees- en heelmethode, daarbij met nauwgezetheid en volgens de regelen der wetenschap moeten zijn te werk gegaan.

STRAFBAARHEID DER VIVISECTIE

Onder vivisectie op dieren verstaan we het doen van proeven op dieren, waardoor dezen pijn of letsel wordt veroorzaakt of waardoor deze aan den dood worden prijs gegeven. Ze behoort, mits geschied door deskundigen en om een wetenschappelijk doel, als niet-onrechtmatig te worden beschouwd, waar dergelijke proeven in het belang van den vooruitgang der wetenschap en ten bate der menscheid kunnen zijn. Vóór de

!) Aldus b. v. Noyon Inleiding blzz. 5 en 6, ook Simons I blz. 262 met een voorbehoud intusschen voor de misdrijven van het plegen van abortus, onze artt. 346-349, en art. 251 bis (ons art. 299); tegen een ongerechtvaardigd inroepen dezer artikelen tegen den verloskundige kan, meent schrijver, slechts een verstandig beleid van het O. M. den medicus behoeden; wettelijke regeling acht hij echter gewenscht.

!) Aldus Noyon aant. 6 ad art. 40.

8) Zie v. Hamel blz. 310.

Sluiten