Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

165

Welke is nu de juiste opvatting? M. i. de objectieve leer.1) De wetgever heeft zich echter niet uitdrukkelijk voor een van beide theorieën uitgesproken. Hieronder zullen we echter zien, dat het verschil in opvatting van practische beteekenis is o.a. voor de begripsbepaling van voorbereidings- en uitvoeringshandeling en mede ten aanzien van de strafbaarheid der poging met absoluut of relatief ondeugdelijk middel of object.

D. SOORTEN EN GRADEN VAN POGING

Naar gelang van het stadium, waarin de dader met zijn pogingshandeling is gekomen, maakt men in de wetenschap en ook in sommige wetgevingen een onderscheid tusschen geschorste en voleindigde poging. De eerste bestaat daar waar niet de geheele handeling voor de voltooiing van het misdrijf noodig, door den dader is afgemaakt (b. v. het geweer is wel aangelegd, de haan is wel overgehaald, maar nog niet afgetrokken); van voleindigde poging spreekt men, wanneer weliswaar die handeling geheel is verricht, maar het gevolg niettemin niet is ingetreden (b. v. het geweer is afgeschoten, maar de kogel miste). Waar, zooals in het laatste geval, de handeling totaal geen effect had, spreekt men van mislukt misdrijf (délit manqué). De hier beproken onderscheiding kent onze wet niet. Alle schakeeringen, die tusschen het begin van uitvoering van het strafbare feit en de voltooiing daarvan liggen, vallen gelijkelijk onder het begrip „poging."

x) Terecht zoekt d e objectieve leer den grond der strafbaarheid in de objectieve gevaarlijkheid der handeling en laat ze daarvan de strafbaarheid afhangen. De subjectieve leer leidt in haar consequentie ontegenzeggelijk tot strijd met het fundamenteele beginsel yan recht: geen strafbaarheid, tenzij des daders misdadig karakter zich hebbe geopenbaard in een voor de rechtsorde gevaarlijke handeling. Het door de subjectivisten tegen de objectieve leer aangevoerde argument is, dat een objectief begrip gevaar niet bestaat, alleen een subjectief begrip (zie hierboven § 14 D noot 1). Dit standpunt acht ik onjuist en onhoudbaar, zeker voor ons recht, waar de strafwetgever zelf bij de gemeengevaarlijke misdrijven werkt met het element „gevaar", dat toch zeker, wil het eenige beteekenis hebben, in objectieven zin moet worden genomen. Zie Simons I blz. 141 e.v.

De subjectieve theorie vindt tegenwoordig bij vele rechtsgeleerden warme verdediging o.a. v. Hamel blz. 419-421; v. Ossenbruggen blz. 180 e.v. Zie ook Arr. Hof 's-Gravenhage 25 Sept. 1902 W. 7866.

Sluiten