Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

167

tusschen voorbereidingshandelingen en uitvoeringshandeling van den dader. Vrij algemeen wordt dan verder aangenomen, dat een voorbereidingshandeling straffeloos behoort te blijven en dat de poging eerst strafbaar wordt bij het verrichten van een uitvoeringshandeling.x) Groot verschil van gevoelen heerscht hierbij echter over de vraag op welk oogenblik men met een uitvoeringshandeling te doen heeft. Al naar gelang men op het standpunt der objectieve of subjectieve theorie staat, vindt die vraag verschillende beantwoording. De laatste theorie ziet reeds een uitvoeringshandeling in iedere handeling, waarbij aan des daders voornemen op zoodanige wijze uitvoering is gegeven, dat diens bedoeling het strafbare feit te plegen daaruit met zekerheid kan worden afgeleid. Naar

handeling, die naar haar aard slechts een voorbereidingshandeling is en als zoodanig niet strafbaar, het karakter van uitvoeringshandeling verkrijgen. Door de jurisprudentie wordt intusschen „begin van uitvoering" vrij algemeen geïnterpreteerd als „begin van uitvoering van het misdrijf". Aldus klaarblijkelijk de H. R. (Arr. 26 Oct. 1925 W. 11469) en ook Simons I blz. 145. Ook mij lijkt deze opvatting juist. Vaststaat, dat de wetgever van uitvoering van het m i s d r ij f heeft willen spreken en daar die uitlegging den woorden der wet geen geweld aandoet, mag ze m. i. dus in aanmerking komen.

In 't algemeen is dus een poging eerst strafbaar, wanneer men begonnen is met een handeling, die de wet als strafbaar omschrijft; het bloote voornemen om te misdoen straft de wet, zoolang het bij woorden blijft, niet. Op dit beginsel maakt art. 88 in verband met de artt. 105 — 119, 113, 115 en 124 echter een belangrijke uitzondering. Art. 88 luidt: „Samenspanning bestaat zoodra twee of meer personen overeengekomen zjjn om het misdrijf te plegen". In geval van de bovenaangehaalde misdrijven is dus de poging reeds strafbaar, wanneer twee of meer personen een afspraak maken tot het plegen van een dezer ernstige delicten. Juist om het gevaarlijke karakter daarvan heeft de wet deze strenge bepaling gemaakt.

Art. 87 deelt ons mee, wat we onder „aanslag" hebben te verstaan. Daaronder valt 1° het voltooide delict en 2° strafbare poging. In art. 104 bv. valt dus onder aanslag op den Koning niet alleen de voltooide moord, maar ook de strafbare poging daartoe, hetgeen deze belangrijke beteekenis heeft, dat de rechter, als hij daartoe termen aanwezig acht, op de poging de volle straf, in casu ook de doodstraf, kan uitspreken.

't Corresp. art. 79 Ned. Swb. werd bij de wet v. 28 Juli 1920 Ned. Stbl. 619 aldus gewijzigd: „Aanslag tot een feit bestaat, zoodra het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering, in den zin van art. 45, heeft geopenbaard".

In de afgeschafte wetboeken viel krachtens art. 52 (55) bovendien nog onder het begrip aanslag de voorbereidingshandeling, een uitzondering alzoo op het beginsel, dat bij poging alleen de uitvoerings-handeling strafbaarheid meebrengt. Hij die bijv. een revolver kocht met het voornemen om daarvan bij een opstand gebruik te maken, was dus reeds strafbaar.

!) Art. 250 levert ons het voorbeeld, dat de wetgever een voorbereidingshandeling als zelfstandig delict heeft strafbaar gesteld.

Sluiten