Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

168

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

de objectieve leer levert daarentegen, slechts diè handeling een strafbare uitvoeringshandeling op, wanneer daarmee een aanvang is gemaakt met de verwezenlijking van het strafbare feit zelf. Hierbij gaat echter de eene aanhanger dezer theorie strenger te werk dan de ander.*)

Met behulp van een voorbeeld zullen we trachten de beteekenis dezer kwestie duidelijk te maken. Een inbreker heeft het plan om bij een juwelier te stelen; de étalage, waarin de sieraden zich bevinden, is echter 's nachts door een stalen rolluik afgesloten. Wanneer de man nu, .teneinde de inbraak te kunnen plegen, zich de vereischte inbrekerswerktuigen aanschaft of aanmaakt, zal hier, noch naar de objectieve noch naar de subjectieve leer, sprake van strafbare poging kunnen zijn, omdat er door den dader slechts een zuivere voorbereidingshandeling is verricht.2)

Stel nu echter, dat dezelfde inbreker 's nachts op weg gaat, dat hij voor het stalen rolluik zijn instrumenten voor den dag haalt, maar op het oogenblik, dat hij iZijn werk wil beginnen, betrapt wordt. Volgens de subjectieve leer zou hier strafbare poging zijn, de objectieve leer zou échter vorderen, dat de dief met de bewerking van het luik een aanvang had gemaakt.3)

*) Te ver gaan de aanhangers der objectieve theorie, die leeren, dat alle handelingen, die geen deel uitmaken van het delict zelf, voorbereidingshandelingen zijn; volgens die opvatting toch zou de dief, die in een woning inbreekt of inklimt, maar door den bewoner vóórdat bij kan stelen betrapt wordt, niet schuldig zijn aan poging tot diefstal, omdat hij, de braak of inklimming verrichtende, daarmee nog slechts een voorbereidingshandeling heeft gepleegd, immers nog geen begin gemaakt heeft met de uitvoering van den diefstal zelf. Men dient aan te nemen, dat bij delicten, waarbij de wet een bepaald middel heeft aangegeven voor het plegen of aan het gebruik van dat middel strafverzwaring heeft verbonden, de uitvoering van dat misdrijf reeds is begonnen, zoodra de dader met het gebruik van het middel, waarmee hij het beoogde misdrijf wil plegen, is aangevangen. Alleen die opvatting leidt tot een voor de praktijk bevredigende oplossing. Vgl. Arr. H. R. 12 Jan. 1891 W. 5990 en idem 11 Nov. 1901 W. 7684; in dien zin ook Simons I blz. 147 en de Gelder blz. 69.

2) Bij besch. van den Ldr. voorzitter te Temanggoeng werd eveneens aangenomen, dat èn naar de objectieve èn naar de subjectieve pogingstheorie gevorderd wordt, dat de dader een uitvoeringshandeling heeft gepleegd. Zie T. Dl. 113 blz. 106.

3) En naar de in noot 1 bestreden opvatting zou zelfs dan nog van geen strafbare poging sprake kunnen zijn.

Sluiten