Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

179

oordeeling kunnen ontkomen door het bewijs, dat ze in geenerlei opzicht debet zijn aan die overtreding.1)

B. MIDDELLIJKE DADERSCHAP

Nu het doen plegen d.i. dus de middellijke daderschap. Als dader wordt gestraft, zegt art. 55, hij die een strafbaar feit door een ander doet plegen.

Hier pleegt men dus het strafbare féit niet door zijn eigen lichaam, niet door een werktuig, noch door een dier, maar door een ander mensch.

Voor het begrip „doen plegen" is het noodig, dat de handeling verricht is als gevolg van een actief inwerken van de zijde van den als middellijken dader aansprakelijk te stellen persoon.

Men noemt dengene, die „doet plegen" den middellijken dader (manus domina d.i. lett. heerschende hand), dengene dien de middellijke dader als 't ware als zijn werktuig gebruikt, manus ministra (d.i. lett. dienende hand).

We moeten de middellijke daderschap zorgvuldig uiteenhouden van de hieronder te behandelen uitlokking, want ook bij uitlokking pleegt men het strafbare feit niet door zich zelf maar door een ander mensch. We beginnen met een voorbeeld:

A belooft een rijksdaalder aan B als hij C een pak slaag geeft. B doet dat. A is strafbaar wegens uitlokking tot mishandeling (art 55 sub 2), maar natuurlijk is B óók strafbaar. Nu wordt direct opgemerkt, dat we in die gevallen niét te doen hebben met „doen plegen." Men spreekt alleen van middellijke daderschap, Wanneer iemand, zelf de strafbare handeling niet verrichtende, deze laat verrichten door:

a) iemand die niet toerekeningsvatbaar is (art. 44).

b) iemand die niet strafrechtelijk aansprakelijk is, omdat hij in overmacht handelde2) of krachtens een onbevoegdelijfc

*) Als voorbeeld van gevallen, waarin tegen bestuurders wegens overtreding straf is bedreigd en waarin art. 59 toepassing kan vinden worden genoemd: art. 99 van het Regl. op den aanleg enz. van tramwegen Stbl. 1905 No. 516 j°. art. 6 No. 144 Inv. Ver en art. 599 der Mijnordonnantie Stbl. 1906 No. 434 j°. art. 6 No. 154 Inv. Ver.

3) 'Het handelen door tusschenkomst van een p h y s i e k gedwongene beschouwen de meeste schrijvers en m. i. terecht als „plegen".

Sluiten