Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMDÏG

plegen1), of de vrouw dus bijv. het misdrijf van verkrachting kan doen plegen, de niet gehuwde het nüsdrijf van bigamie of overspel, de niet-ambtenaar een ambtsmisdrijf.

C. MEDEDADERSCHAP I. MEDEDADERSCHAP en DE BETEEKENIS VAN „MEDEPLEGEN" IN ART. 55.

Als dader van een strafbaar feit wordt gestraft hij, die dat feit „medepleegt."

Met medeplegers, aldus de gangbare opvatting, worden bedoeld zij, die aan het plegen van het delict medewerken, deelnemen; dus de medepleger is mededader.

Onder mededader verstaat men hem, die met een ander een strafbaar feit pleegt.

A en B, die in vereemging met elkander een zware kist stelen en tezamen het huis uitdragen, zijn elkanders mededaders; A is niet dader en B mededader of omgekeerd, beiden zijn daders, ten opzichte echter van elkaar zijn ze mededaders.

De mededader moet als dader al de eigenschappen en hoedanigheden bezitten, die naar de wettelijke omschrijving voor daderschap gevorderd worden.

Nu meenen echter andere rechtsgeleerde schrijvers, 2) dat het niet de bedoeling van den wetgever geweest kan zijn met de woorden „medeplegen" in art. 55 aanhef van diè gevallen van samenwerking te spreken, immers, redeneeren ze, dat ware overbodig, daar onder de uitdrukking „plegen" vanzelf. allen begrepen zijn, die aan de handeling, welke 't strafbare feit vormt, rechtstreeks deelnemen. Onder „medeplegen" vallen geheel andere gevallen van deelneming, 't Komt n.1. vaak

Simons I blz. 274 en v. Hamel 459-460 zijn van meening, dat de middellijke daderschap een vorm van daderschap is en beantwoorden dus de hier gestelde vraag bevestigend. Anders de H. R., die de leer verwerpt, dat de middellijke dader als dader zou moeten worden beschouwd en leert, dat hjj slechts in strafbaarheid met den dader wordt gelijkgesteld. Zie Arrn. H. R. 21 April 1913 W. 9501 en 15 Juni 1914 W. 9667. Aldus ook Noyon aant. 7 ad art. 47

2) Aldus bijv. ook Noyon aant. 17 ad art. 47, welke schrijver in „medeplegen" ziet een onzelfstandigen vorm van deelneming aan een delict, het midden houdende tusschen de eigenlijke daderschap en de medeplichtigheid. De H. R. schijnt zich bjj Arr. v. 21 Juni 1926 W. 11541 bij deze zienswijge te hebben aangesloten. In anderen zin echter Simons blz. 276-277 en v. Hamel blz. 482 en 485 naar wier oordeel „medeplegen" in art. 47 sub 1 op niets anders wijst dan op mededaderschap.

Sluiten