Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

189

strafbaar feit worden gestraft zij, die door giften,

beloften, misbruik van gezag of van aanzien, geweld, bedreiging of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken."

„Het feit" moeten we hier, dit eischt de logica, opvatten als het strafbare feit. Uitlokking is dus slechts strafbaar, als ze heeft geleid tot een strafbaar feit, hetzij, een voltooid delict, hetzij een strafbare poging. Mislukte uitlokking is dus straffeloos, tenzij het feit kan worden gebracht onder de nieuwe strafbepaling van art. 163 bis*)

B. UITLOKKING EEN ZELFSTANDIGE OF EEN ONZELFSTANDIGE VORM VAN DEELNEMING ?

Onder de heerschappij van het oude wetboek, zagen we boven, werd de daad van uitlokking als een vorm van medeplichtigheid beschouwd. Verschil van meening bestaat onder het nieuwe wetboek, of we bij uitlokking te doen hebben met een soort van daderschap, een zelfstandigen vorm van deelneming, dan wel of we daarin te zien hebben een onzelfstandigen vorm van deelneming, zooals de medeplichtigheid. In het laatste geval is de uitlokking, wat haar strafbaarheid betreft, afhankelijk van de handeling van den dader, welke ten gevolge van de uitlokking is gepleegd. Ofschoon de uitlokking in zooverre een zelfstandiger karakter draagt dan de medeplichtigheid, dat ten gevolge van de bepaling van art. 55 laatste lid de handeling van den uitlokker een andere qualificatie kan dragen dan de handeling ten gevolge van de uitlokking verricht, zoo wordt toch veelal voor ons recht het accessoir karakter van de uitlokking aangenomen. De uitlokker, aldus de gangbare meening, is dus geen dader, ook al straft de wet hem als dader.

C. DE MIDDELEN WAARDOOR DE STRAFBARE

UITLOKKING MOET GESCHIEDEN De wet geeft een limitatieve opsomming der middelen, waardoor de uitlokking, wil ze strafbaar zijn, moet zq'n geschied. Wordt een strafbaar feit dus door andere middelen dan de in art. 55 sub 2 genoemde uitgelokt, dan valt die

i) Vgl. Arr. H. R. 17 Juni 1889 W. 5742.

Van dit beginsel, dat uitlokking tot een strafbaar feit niet strafbaar is, wanneer niet een misdrijf zelf of althans een strafbare poging gevolgd is, wflkt ons wetboek in art. 243 af door de strafbaarstelling van aanzetting tot meineed.

Sluiten