Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

POGING, DADERSCHAP EN DEELNEMING

tijdens het plegen van het misdrijf. We kunnen dus zeggen, dat bij dezen eersten vorm iedere hulp, materieel of intellectueel, strafbare medeplichtigheid oplevert.1)

Den tweeden vorm duidt art. 56 2o aldus, aan: „zij, die opzettelijk gelegenheid middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf." Hier is dus sprake van de medeplichtigheid, die aan het strafbare feit voorafgaat en deze verklaart de wet alleen strafbaar, indien de verleende hulp bestaat in het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen.

Gesproken wordt van het verschaffen van gelegenheid, niet van het laten van gelegenheid, dus wordt er vereischt een actieve medewerking. Wie, bespeurende, dat een ander zich van een werktuig voorziet tot het plegen van een misdrijf, hem dat laat medenemen, kan niet gezegd worden hem dat middel te hebben verschaft en is dus niet als medeplichtig aan dat feit strafbaar. Men neemt echter aan, dat hij, die met toezicht belast, een ander de vrije hand laat om zijn misdrijf te plegen, geacht kan worden hem daartoe de gelegenheid te verschaffen. 2)

Wat den tweeden vorm van medeplichtigheid betreft, zeiden we boven, dat alleen diè hulp strafbaar maakt, die onder art. 56 sub 2 te brengen is. Nu zou men zeggen, dat nagenoeg elke hulp daaronder valt. Er bestaat echter een belangrijke beperking. Naar de opvatting van den H. R.3) en vele anderen vormt alleen de hulp, bestaande in het verschaffen van inlichtingen, medeplichtigheid, wanneer op het oogenblik, dat de inlichtingen verstrekt werden, bij den dader reeds het plan bestond tot het plegen van het misdrijf, alzoo niet wanneer ze de strekking hadden bij dezen het voornemen. tot misdrijf op te wekken. In het door ons in het Hoofdstuk Uitlokking

*) Bij Arr. Hof Arnhem 27 Nov. 1919 W. 10497 werd beslist, dat een hulp van onbeduidenden aard niet als medeplichtigheid kan worden aangemerkt, vooral niet wanneer die daad van hulp slechts zeer indirect het plegen der mishandeling mogelijk maakte.

• *) In een dergelijk geval nam de H. R. aan, dat er sprake was van een behulpzaam zijn bij het plegen en dus van medeplichtigheid volgens het eerste nummer van art. 56.

Opzettelijk toelaten is als zelfstandig delict strafbaar gesteld in de artt 231 al. 3, 232 al. 2. 415, 426 en 434.

s) Zie Arr". H. R. 13 Juni 1898 W. 7145 en 14 Jan. 1924 W. 11159 Anders echter v. Hamel blz. 472 — 473.

Sluiten