Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230

STRAF, STRAFSÖORTEN EN MATE VAN STRAF

vreesde, dat bij een imperatief gebod de voorloopig aangehoudene te veel als een Strafgevangene zou worden behandeld. De rechter, aldus art. 33, kan nu bij zijn vonnis bepalen, dat de tijd vóór de tenuitvoerlegging der uitspraak in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging der straf geheel of gedeeltelijk zal worden in rekening gebracht. De toerekening kan plaats hebben op de opgelegde gevangenisstraf, hechtenis en geldboete, op de laatste volgens den in art. 31 al. 3 bepaalden maatstaf. De aftrek van den in preventief arrest doorgebrachten tijd kan geschieden bij elke rechterlijke uitspraak, die een veroordeeling inhoudt, in eersten aanleg, in hooger beroep, c. q. cassatie; de toerekening kan betrekking hebben op den tijd in verzekerde bewaring doorgebracht vóór de uitspraak, maar ook op dien daarin door te brengen na de uitspraak doch vóór de tenuitvoerlegging der straf, bijv. tijdens de behandeling der zaak in appèl of cassatie.

De rechter bepaalt eerst de straf en daarna den aftrek, welke kan omvatten den geheelen tijd der detentie, een evenredig deel daarvan of een bepaald tijdsverloop.

Het hier opgemerkte omtrent de toerekening is evenzeer van toepassing, wanneer bij gelijktijdige vervolging Wegens meerdere feiten de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit, dan waarvoor de veroordeelde zich voorloopig in verzekerde bewaring bevindt, art. 33 al. 2.

§ 42. Geldboete

Als vierde hoofdstraf noemt art. 10 de geldboete. Ze wordt in ons wetboek bedreigd tegen misdrijven en overtredingen; hetzij1 uitsluitend, hetzij alternatief met gevangenis en hechtenis of één dezer beide straffen. Het bedrag' der geldboete is ten minste vijf en twintig cents, Welk minimum werd aangenomen met het oog op den maatschappelijken toestand van het overgroote meerendeel der bevolking.

Het maximum der geldboete bhjkt niet uit een algemeene wetsbepaling. De hoogste boete welke men in het strafwetboek vindt, is die van art. 403, / 10.000.— De opbrengst der boeten komt steeds ten bate van den Lande (art. 42), behoudens en-

Sluiten