Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STRAF, STRAFSÖORTEN EN MATE VAN STRAF

235

de voorwaardelijk veroordeeling door den concordantie-eisch gevorderd werd, stelde de Regeering zich op een minder formeel standpunt: j^concordantieprincipe op zich zelf, meende ze, kon den doorslag niet geven, op meer materieele gronden bepleitte ze de invoering. Ofschoon men niet de oogen sloot voor het feit, dat hier te lande de omstandigheden in verschillende opzichten minder gunstig voor het slagen zijn dan in Westersche landen — denken we allereerst aan het gebrek aan particuliere krachten, die zich voor den hierbedoelden socialen arbeid beschikbaar stellen en verder aan het bijna algeheele gemis van organen en personen, die den rechter met kennis van zake in deze materie van voorlichting kunnen dienen — toch meende men tot de invoering van de voorwaardelijke veroordeeling te moeten besluiten. Daartoe als eisch te steUen, dat de bevolking of althans het overgroote deel daarvan op een dusdanig peil van ontwikkeling staat, dat het de voorwaardelijke veroordeeling begrijpt, gaat niet aan: ja, de Regeering, bij: monde van den Directeur van Justitie, sprak zich tenslotte in dezen zin uit, dat de voorwaardelijke veroordeeling in onze strafwet op haar plaats is „wanneer ze redelijkerwijs kan worden ingevoerd voor een aantal individuen — niet een maatschappelijke groep —, die voor een voorwaardelijke veroordeeling geschikt blijken te zijn".1)

Inderdaad komt het me voor, dat de omstandigheid, dat de f meerderheid der inheemsche bevolking, niet rijp is om de beteekenis der voorwaardelijke veroordeeling te beseffen, geen reden mag zgn om de Weldaad dezer instelling te onthouden aan die enkelen, die daardoor kunnen bewaard blijven voor de nadeelen, die vaak voortspruiten uit korte vrijheidstraffen.

De voorwaardelijke veroordeeling behoeft volstrekt niet tot Europeanen beperkt te blijven, zeer zeker niet die, welke geschiedt onder de algemeene voorwaarde en onder de voorwaarde van vergoeding der aangerichte schade. Voorloopig zal *t echter, waTde voorwaardelijke veroordeeling onder een bijzondere voor-

i i) Handelingen Volksraad 1925 blzz. 755, 766-768. „Het instituut", aldus ! i de Directeur v. Justitie, „werkt op een individu, en het gaat er dus om |' of dat eene individu voor de V. V. rijp is. De rapheid of onrnpheid van

I tienduizend anderen doet er niets toe".

Sluiten