Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

244

STRAF, STRAFSÖORTEN EN MATE VAN STRAF

Onder de hierbedoelde ambten valt o. a. ook het lidmaatschap van het dorpsbestuur.1)

2) het dienen bij de gewapende macht, hetwelk omvat de zee- en landmacht, schutterij, barissan en korpsen der gewapende politiedienaren.

3) het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens algemeene verordening gehouden verkiezingen; slechts dat kiesrecht en die verkiesbaarheid, die op een algemeene verordening steunen, komen hier in aanmerking; een enkel op het volksrecht gegrond kiesrecht valt er dus buiten.

4) het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder en het zijn van voogd, toeziende voogd of toeziende curator over andere dan eigen kinderen;

5) de vaderlijke macht, de voogdij en curateele over eigen kinderen. Over de uitdrukking „vaderlijke macht" zie men art. 91, waarbij een uitbreiding aan dat begrip wordt gegeven met het oog op de hier en daar in Ned.-Indië voorkomende instelling van het matriarchaat, welke men o.a. aantreft bij de Maleiers in de Padangsche Bovenlanden. 2)

6) De uitoefening van bepaalde beroepen3)

De bevoegdheid van den rechter om een ambtenaar uit eenig bepaald ambt te ontzetten bestaat niet, wanneer bij algemeene verordening een andere macht bij uitsluiting voor die ontzetting is aangewezen.

De tweede al. van art. 28 Ned. W. v. Str. kon niet worden overgenomen. In Indië heeft men geen ambtenaren, zoooals in Nederland, die onafzetbaar zijn, omdat ze voor het leven of voor een bepaalden tijd zijn aangesteld. Wel bestaan er bepalingen,

*) De Landrechter te Semarang besliste bij vonnis van 16 Juni 1919, T. Dl. 112 blz. 165: Een k e b a j a n is ambtenaar in den zin van de wet. Mishandeling tegen hem gepleegd is dus strafbaar volgens art. 356 2° Swb. en behoort tot de kennisneming van den Landraad. Anders echter de R. v. J. te Semarang d. d. 29 Nov. 1918. T. t a. p.

2) Ook in een deel van Centraal Ned. Timor. Het kenmerkende van het matriarchaat is, dat hierbij een mannelijk verwant van vrouwszijde als hoofd van de groep optreedt. Bij de Menangkabausche Maleiers is dit de oudste broer van moederszijde (mamaq). De afstamming en het erfrecht worden beheerscht door de moederlijn; de vader blijft voor het familieverband zijner kinderen een vreemde en gaat niet over in de vrouwsfamilie, maar elk blijft in zijn eigen familie.

8) Strafbaar is hij, die een recht uitoefent, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, vgl. art. 227 W. v. Str. Zie ook art. 228.

Sluiten