Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STRAF, STRAFSÖORTEN EN MATE VAN STRAF

247

Art. 41 geeft aan Wat er moet gebeuren, indien de verbeurdverklaarde maar niet in beslag genomen goederen niet worden uitgeleverd.1) Brj het rechterlijk vonnis dat de verbeurdverklaring uitspreekt, zal, wanneer die voorwerpen niet in beslag waren genomen, het geldelijk bedrag worden vastgesteld, waarop de voorwerpen worden geschat en dat bij' niet-uitlevering moet worden betaald, terwijl dat vonnis tevens zal inhouden den duur der vervangende hechtenis, welke zal moeten worden ondergaan. De duur dezer hechtenis is tenminste één dag en ten hoogste zes maanden. Die duur zal in de rechterlijke uitspraak in dier voege worden bepaald, dat voor een geldelijk bedrag van een halve gulden of minder één dag, voor een hooger bedrag niet meer dan een dag voor eiken halven gulden en voor het overblijvende gedeelte daarvan in de plaats treedt. De termijn, waarbinnen de verbeurd verklaarde goederen moeten worden uitgeleverd, dan wel het geldelijk bedrag, waarop ze bij vonnis zijn geschat, moet Worden betaald, wordt bepaald door den ambtenaar van het O.M. resp., waar het betreft de Inlandsche strafvervolging, door den (Ass.-) Resident, resp. door het afdeelingshoofd (in West-Java). De verdere regelen omtrent de vervangende hechtenis gelden ook hier. Ook kan de veroordeelde door uitlevering van de voorwerpen zich van het ondergaan der hechtenis bevrijden.

D. OPENBAARMAKING DER RECHTERLIJKE UITSPRAAK

De bekendmaking van alle gewijsden in strafzaken, waarbij een veroordeeling ter zake van misdrijf was uitgesproken, was vroeger bij art. 24 Swb. oud Inl. voor Inlanders en de met dezen gelijkgestelden voorgeschreven. De openbaarmaking beoogde te dienen als een waarschuwing van degenen, die later met de veroordeelden in betrekking zouden treden. Daar het nut dezer openbaarmaking, waaraan trouwens vaak niet de hand gehouden werd, niet werd ingezien en men bovendien voor Inlanders geen andere bepalingen meende te moe-

i) Bü Arr H. R. v. 3 Mei 1915 W. 9823 werd beslist, dat art. 34 (ons art. 41) óók van toepassing is voor gevallen van verbeurdverklaring, welke niet begrepen zijn onder de bepaling van art 33 (ons art. <J9).

Sluiten