Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

252

STRAF, STRAFSÖORTEN EN MATE VAN STRAF

Een voorbeeld van een bijzonderen grond van strafverlichting vinden we in art. 308. (z. g. n. gepriviligeerde delictsvormen).

§ 45. Ambtelijke Hoedanigheid

De ambtelijke hoedanigheid is een strafverzwarende grond van algemeenen aard. Naar art. 52 bepaalt kan de straf met een derde worden verhoogd, indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middelen hem door zijn ambt geschonken. Dit voorschrift geldt voor misdrijven en overtredingen beide; het kan toepassing vinden bij daderschap, uitlokking, medeplichtigheid en poging.1)

Wie als ambtenaar in dit verband moet worden beschouwd, zegt de wet niet. De H. R. noemt iemand ambtenaar, wanneer hij door het openbaar gezag is aangesteld tot een openbare betrekking om te verrichten een deel der taak van den staat of zijn organen. Vgl. Arr. H. R. van 30 Januari 1911 W. 9149.2) Art. 92 Swb. bepaalt verder uitdrukkelijk, dat onder ambtenaren mede zijn begrepen alle personen verkozen bij' krachtens, algemeene verordening gehouden verkiezingen, alle leden van locale raden die dit niet zijn krachtens verkiezing, 3) zoomede alle Inlandsche hoofden en hoofden van Vreemde Oosterlingen die wettig gezag uitoefenen. Onder de laatste categorie vallen alle hoofden, mits zij wettig gezag uitoefenen, onverschillig of zij al of niet van een gouvernementsaanstelling zijn voorzien.

Onder ambtenaren en rechters worden begrepen scheids-

!) Uit den aard der zaak is het bij art. 52 bepaalde niet toepasselijk, indien het door den ambtenaar gepleegde strafbare feit aan de ambtelijke hoedanigheid een bijzondere qualificatie ontleent (Boek II Titel 28 en Boek III Titel 8).

2) Wat we onder ambt te verstaan hebben, definieerde Noyon (aant. 9 ad artt. 28 — 31) in vorige uitgaven als volgt: „ambt is een door het uitvoerend gezag opgedragen openbare betrekking, waarin hq die ze bekleedt tot den Staat of een zijner publiekrechtelijke onderdeelen in een verhouding van ondergeschiktheid staat'. Schrijver kan zich echter met de omschrijving van den H. R. wel vereenigen.

s) Zie hierboven blz. 57 noot 2.

Sluiten