Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

262

STRAF, STRAFSÖORTEN EN MATE VAN STRAF

maximum het hoogst is, met niet meer dan één derde mogen overtreffen, (art. 66).

Bij samenloop van overtredingen onderling of overtredingen met misdrijven (II) wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd (art. 70), niet echter zonder eenige beperking, want al. 2 van art. 70 bepaalt, dat de straffen van hechtenis, vervangende hechtenis daaronder begrepen, voor de overtredingen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet mogen te boven gaan.

Een bijzondere bepaling behelst art. 67. Bij veroordeeling tot de doodstraf of tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geen andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen, en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Het volgende artikel geeft eenige voorschriften over de bijkomende straffen bij misdrijven; krachtens de tweede alinea mogen de straffen van vervangende hechtenis opgelegd in verband met verbeurdverklaring den tijd van acht maanden niet overschrijden.

E. ART. 64 EN HET VOORTGEZETTE DELICT

Dit artikel behandelt dus het geval, dat de meerdere feiten wel ieder afzonderlijk misdrijf of overtreding opleveren, maar tevens met elkaar in een zoodanig verband staan, dat zij1 als een voortgezette handeling moeten worden beschouwd. Of er zoo'n verband bestaat, staat geheel ter beoordeeling van den judex facti. In dat geval worden de regelen van den samenloop uitgesloten, er wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil, die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

De vraag, die de geleerden verdeeld houdt, is of de wetgever in art. 64 de wettelijke erkenning van het delictum continuatum, het voortgezette delict, heeft willen neerleggen, dus heeft willen bepalen, dat de verschillende strafbare feiten om hun onderling verband als één kunstmatige eenheid, als één strafbaar feit, moeten worden aangemerkt, dan wel of hij niets anders heeft bedoeld dan een uitzondering vast te stellen op den in de artt. 65 en 66 neergelegden regel, dat hij aan ieder afzonderlijk delict zijn zelfstandige beteekenis heeft willen laten, doch alleen daarbij een beginsel van straftoemeting heeft willen geven.

Sluiten