Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

RECHT TOT STRAFVORDERING

Op dezen regel der ambtshalve vervolgbaarheid der strafbare feiten, bevat ons strafrecht echter een uitzondering. Voor sommige uitdrukkelijk genoemde misdrijven1) is het vervolgingsrecht van het O. M. afhankelijk gesteld van het bestaan eener klacht afkomstig van den klachtgerechtigd e, als regel dengene tegen wien het delict rechtstreeks is gericht, waarbij onder duidelijke aanwijzing van het bedoelde feit, vervolging aan het O. M. verzocht wordt.2) Deze uitzondering berust op de overweging, dat in de hier bedoelde gevallen het individueel belang bij een strafactie meer schade zou kunnen lijden, dan het algemeen belang bij het uitblijven daarvan.3) Is een feit door de wet tot klachtdelict gemaakt, dan mag het O. M. niet eerder een vervolging instellen dan nadat een behoorlijke klacht gedaan is; is deze echter aanwezig, dan is het O. M. intusschen nog niet verplicht te vervolgen, maar kan het de vervolging achterwege laten, indien eenige reden van algemeen maatsehappelijken aard dit wenschelijk maakt

De wijze, waarop de klacht moet worden ingediend en de aanwijzing van den ambtenaar bij wien dat moet geschieden, vindt men als een onderwerp van formeelstrafrechtelijken aard vastgesteld in S. v. (art. 8).4). Al het verdere op de klachtdelicten betrekking hebbende, heeft men als van materieelen aard een plaats in het W. v. Str. gegeven.

*) Benevens heel enkele overtredingen, zie hierboven blz. 86 noot. Ten aanzien dier kUchtovertredingen is echter de Vilde Titel van het strafwetboek niet van toepassing; zoo geldt o.a. hier niet de klachttermijn van art. 74. Intusschen is de klager bij klachtovertredingen ook aan dien termijn gebonden, wanneer hij voor het landgerecht verschenen uitdrukkelijk zijn wensch tot vervolging alsnog te kennen geeft. Cf. art. 8 lid 3 Landger. Regl. jo Stbl. 1917 No. 497 art. 15 b.

*) Voor de ontvankelijkheid der vervolging is niet vereischt, dat in de klacht een bepaald persoon als degene tegen wien de klacht gericht is, wordt aangeduid. Arr. H. R. 11 Nov. 1889 W. 5799.

3) Vgl. v. Hamel blz. 639. Als grond, welke bjj ons echter buiten aanmerking bleef, vindt men ook wel vermeld, dat alleen als de rechtstreeks getroffene de handeling als een rechtskrenking voelt, het gepleegde feit voor de rechtsorde van beteekenis is.

*) Bij Arr. H. G. H. 14 Aug. 1918 T. Dl. 112 blz. 88 werd beslist, dat niet-medeonderteekening der klacht door den klager c. q. niet vermelding van de reden der verhindering tot mede-onderteekening, de klacht niet nietig maakt.

Sluiten