Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EN STRAFVOLTREKKING

271

zijn: lo het bestaan van een rechterlijk gewijsde ten aanzien van hetzelfde feit 2o de dood van den verdachte 3o verjaring en 4o afdoening der zaak buiten proces.

Als grond kan mede gelden art. 42 lid 3 I. S., waarin bepaald wordt, dat de Gouverneur-Generaal in overeenstemming met den Raad van Ned.-Indië het recht van amnestie uitoefent, doch enkel voor zooveel Inlandsche Hoofden en Vorsten betreft.

Amnestie is de bevoegdheid te bepalen, dat de strafwet niet zal worden toegepast op allen, die zich aan een zeker strafbaar feit of een zekere groep van strafbare feiten hebben schuldig gemaakt. Met betrekking tot amnestie (en abolitie) bepaalt art. 68 al. 3 G. W., dat deze niet anders kan worden verleend dan brj de w e t. Dit voorschrift geldt m. i. intusschen alleen voor het Rijk in Europa.

Abolitie is de bevoegdheid te bepalen, dat een reeds begonnen strafvervolging niet verder zal worden voortgezet.

De achtste Titel bevat een regeling van de geheele materie; al wat dus, het verval van het recht van strafvordering en van de straf betreffende, in andere bijzondere algemeene verordeningen voorkomt, is met de inwerkingtreding van het nieuwe strafwetboek vervallen, voor zoover het althans niet in art. 6 Inv. Ver. gehandhaafd werd. *)

Als gronden van het verval van het recht tot de tenuitvoerlegging van de straf komen in aanmerking: lo de dood van den veroordeelde 2o verjaring 3o amnestie en 4o gratie.

§ 50. De kracht van het rechterlijk gewjjsde.

Art. 76 handelt over het vervallen der strafactie door het bestaan van een rechterlijk gewijsde. Onder dit laatste moeten we verstaan een vonnis, waaraan niets meer te doen valt, een vonnis alzoo hetwelk niet meer door een gewoon rechtsmiddel zooals verzet, hooger beroep, revisie of cassatie is aan te tasten.

Vóór de invoering van het nieuwe strafwetboek waren ten aanzien van dit onderwerp de artt. 389 Sv., 398 I. R. en 63 Landger. Regl. van toepassing, doch ze spraken alleen van het geval, dat de beklaagde was vrijgesproken, hetgeen intus*) Vgl. Noyon aant. 1 ad. Titel VIII W. v. Str.

Sluiten