Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

278

RECHT TOT STRAFVORDERING

gevingen opgenomen. De Crimineel-Anthropologische school kan zich met dit instituut niet vereenigen, men Wenscht de toepassing ervan althans tegenover de voor de maatschappij gevaarlijke misdadigers uitgesloten te zien. De hier behandelde verjaring wordt verdedigd op dezen grond, dat een meer of minder lang tijdsverloop de herinnering aan het gepleegde delict doet verflauwen en daarmee de noodzakelijkheid tot toepassing der strafwet vervalt, waarbij nog komt dat niet zelden ook na lang tijdsverloop de bewijsmiddelen verloren gaan of wel onbetrouwbaar worden.

De verjaringstermijnen zijn verschillend al naar gelang van het meer of minder ernstig karakter van het strafbare feit. Art. 78 bepaalt de termijnen op 1 jaar voor alle overtredingen1) en voor de misdrijven door middel van de drukpers gepleegd, op zies jaren voor de misdrijven, waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; op twaalf jaren voor alle misdrijven, waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren staat en op achttien jaren voor alle misdrijven, waarop de doodstraf of levenslange gevangenisstraf is bedreigd. Er is dus geen misdrijf dat, na verloop van achttien jaren ontdekt wordende, nog vervolgd kan worden. De hier vermelde verjaringstermijnen worden tot een derde van den vermelden duur ingekort ten aanzien van een persoon, die vóór het begaan van het feit den achttienjarigen leeftijd nog niet heeft bereikt.

De termijnen genoemd in art. 78 vangen aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd. Voor de berekening van het aanvangspunt komt dus in aanmerking het oogenblik, waarop de materieele handeling heeft plaats gegrepen en niet waarop het gevolg is ingetreden.

Dit laatste is van belang bij misdrijven gepleegd door middel van een instrument. Voor de daad van den uitlokker en den medeplichtige zal zoodoende de aanvangstermijn naar het tijdsstip, waarop ieder van hen heeft gehandeld, zelfstandig moeten

i) Bij K. B. Stbl. 1922 No. 435 werd, in afwping van art. 78 Swb. bepaald, dat de verjaringstenngn voor de overtreding van art. 54 Regl. Part. landerijen, achttien maanden is na afloop van het kalenderjaar, waarin de dienst verschuldigd werd (Vgl. art. 103 W. v. Str. en hierboven Wzz. 41,42).

Sluiten