Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

priesters te ontvangen en haar dooden op eigen kerkhof te mogen begraven. Beide verzoeken werden ingewilligd.

Na den lafhartigen moord van Graaf Floris IV in 1235, trad zijne weduwe, Gravin Machteld, in het door haar mede opgerichte Klooster, schonk er aanzienlijke giften aan, evenals hare bloedverwanten, vooral haar zoon Graaf Willem II.

Het was wel noodig, want de inkomsten van het Klooster, bijna uitsluitend bestaande uit de lijfrenten, die de familie der Zusters betaalden, waren nauwelijks toereikend om de uitgaven te dekken, vooral daar de armen steeds in grooter getal den steun der Zusters inriepen.

Onafgebroken was Gravin Machteld werkzaam voor het welzijn der stichting en het was zeker grootelijks om en door haar dat Paus Innocentius IV, bij brief van 12 October 1250, het Klooster onder zijne bescherming nam, er bijzondere voorrechten aan verleende en, voldoende aan den lang gekoesterden wensen der zusters, de priory verhief tot den rang van abdij, onder aanroeping van de H. Maria, later ook van den H. *Bernardus.

Van verschillende leden der grafelijke familie en van aanzienlijken in den lande, kwamen belangrijke schenkingen toe, die we niet allen kunnen vermelden en enkel eene uitzondering maken voor de op 8 Juni 1253 door Koning Willem aan de Abdij verleende vrijdom van alle lasten, beden en schattingen.

Een zware slag trof deze inrichting op 19 December 1267 door het overlijden van Gravin Machteld, te recht algemeen betreurd, en met de grootste plechtigheid in de Kapel begraven.

De Hbdij kon er zich intusschen over verheugen dat voortdurend nieuwe weldoeners rijke giften schonken, waardoor men in de gelegenheid kwam de oorspronkelijke Kapel te vervangen door eene Kerk, die op dezelfde plaats verrees en waarin verscheidene weldoeners eene laatste rustplaats vonden.

Ongestoorde rust genoot men echter niet.

Sluiten