Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

Zoo had de Abdij op het einde der XHIe eeuw last van Filips van Duivenvoorde, die aanspraak maakte op een landgoed met toebehooren, Simonskamp genaamd, gelegen onder Haag-Ambacht en sedert meer dan 60 jaar in het vreedzaam bezit van het Klooster. Een pauselijke banvloek scheen noodig om de Abdij het verdere bezit dezer goederen te verzekeren.

In 1339 eischte Jan Eggebrechts eene erfelijke provende met knecht, 2 honden en 2 hazenwinden en Schout en Schepenen van Monster, in welk Ambacht de Abdij stond, drongen herhaaldelijk aan op betaling van beden en omslagen, ofschoon daar vrijdom was voor verleend. Dit kwam zelfs in 1435 tot een proces voor den Hove van Holland, dat in het voordeel der Abdij afliep.

Om het Klooster had zich gaandeweg eene kleine gemeente gevormd, waar de lieden verbleven, die in en voor het Klooster werkzaam waren, benevens landlieden, neringdoenden en ambachtslieden, zoodat het Klooster een zegen was voor de plaats waar het zich had gevestigd. Graaf Willem III begreep dit, stond in 1300 uit erkentenis aan de Abdij een windmolen toe (op dezelfde plaats waar hij nu nog staat), in 1320 een stuk land om brandstof uit te delven en in 1333 „enen stoep wyns te sancwine alle weke".

In de eerste helft der XlVe eeuw gingen er over het Klooster allerlei geruchten. Een verderfelijke wereldsche geest zou er ingetreden zijn, waardoor de orde verslapte en tweedracht ontstond onder de Zusters. De ergerlijkste beschuldigingen deden de rondte en drongen met zooveel hardnekkigheid in het volk, dat ze nog niet verstomd waren lange jaren nadat er van de Abdij geen steen op elkander was gebleven. Als bewijs van een en ander halen we de verzen aan van Ridder Jacob Westerbaen, heer van Brandwijk, bezitter van de buitenplaats Ockenburg, gelegen aan den weg naar Monster, in zijne in 1653 verschenen, overigens weinig dichterlijke beschrijving van genoemd landgoed:

Sluiten