Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30

lek hebbe wel gehoort, van die ick moet gelooven, Dat watter was of quam aen Hollands-Graeven-Hooven, Van Heer of Edelman, of dartel jonckerschap, Alhier den opslagh cocht (de Cloostertucht was slap), En als Mevrouw Abdis, en als de soete Nonnen Zich vonden aen den dans op 't spel der violonnen, En dat het nachtje wierd met vreugde doorgebracht, Wierd wel bij ongeluck een sustertje verkracht; Verkracht, maer met haer wil, en sonder luyd te roepen: De lusten gaen haer gangh en vinden smaeck in 't snoepen; Getuijgen sijn daer van de vruchten daer gelaen, En daer weer uijtgeschüdt en heijmelijck verdaen, En inder aerd gestopt uijt vrees van straf of schaemte, Getuijge sijn daer van soo meenigh kinds-geraemte Dat sulcke gruwelen deed komen voor den dagh, Nae dat dit Joffren-stift in puijn en assen lagh.

Graaf Willem V verzocht in 1347 Ludolphus, abt van Echteren bij IJsselstein, een streng onderzoek in te stellen. Hij was gemachtigd om kennis te nemen van het leven en gedrag der nonnen en bij schuldig bevinden, de halsstarrigen weg te zenden, of haar, indien hij zulks dienstig oordeelde, naar dat zij het verdiend hadden, volgens de bepalingen der kerkelijke wetten te straffen.

De taak van den Abt schijnt zeer gemakkelijk te zijn geweest en zijn bezoek had de gewenschte gevolgen: de tucht werd volkomen hersteld, de gehoorzaamheid herleefde, de regel werd weer gevolgd en van dit oogenblik werden de Zusters steeds vermeld met den grootsten lof. Van de verregaande tooneelen van zedeloosheid, van gepleegde gruwelen en wat al niet meer, was geen spoor te ontdekken geweest.

De uitslag van het onderzoek had tengevolge dat verschillende weldoeners aan de Abdij weer milde gaven schonken, zoodat er aan kon worden gedacht de Abdij te vergrooten en te verbeteren, waaraan men in 1499 bezig was.

Sluiten