Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31

Voor de Zusters volgden vele jaren van rust, waaraan voorgoed een einde kwam in den aanvang der XVIe eeuw, bij het uitbreken der godsdienstige beroerten.

Vooreerst werden er wederom over het losbandige en weelderige leven der Zusters geruchten verspreid die, in die dagen van godsdienstigen twijfel, bij velen gehoor vonden en met zooveel hardnekkigheid werden volgehouden, dat de geestelijke overheid zich genoodzaakt zag in te grijpen.

Toen dan ook in 1563 de Abdis Anna van Egmond overleden was, werd van de gelegenheid der keuze voor eene plaatsvervangster gebruik gemaakt om een grondig onderzoek in te stellen. Geschiedde vroeger de keuze onafhankelijk door en uit eigen personeel en werd dan verder aan het hooger kerkelijk gezag eenvoudig bekrachtiging gevraagd, sedert 1515 en 1522 had de Paus aan Keizer Karei V en zijne opvolgers, inmenging of liever voordracht aan de kerkelijke digniteiten of prelatoren gegund. Dit was natuurlijk geschied om te voorkomen dat iemand benoemd werd die de nieuwe denkbeelden toegedaan was en de kerkelijke bezittingen in verkeerde handen kwamen.

In het onderhavige geval werden tot Kerkelijke Commissarissen benoemd Dr. Guilielmus Damaci van der Lindt, hofdeken te 's-Gravenhage, reeds gewijd tot eersten bisschop van Roermond, en Cornelis Suys, president van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, een geestelijke en een wereldlijke Commissaris.

Ze hadden „te informeren dewelcke van de Religieusen de nutste ende bequaemste wesen sou tot de voors. prelature, soo om den onderhouden van den dienst Gods als tot den regimente ende administratie van den Clooster, en die persoon dan van wegen den Coning te nomineren ende te presenteren ende de Religieusen te verzoucken haar tot Abdisse te kiesen ende te eligeren willen sonder eenighe zwaricheyt".

De taak der Commissarissen strekte zich verder uit; ze hadden ook den financieelen toestand te onderzoeken, 'als-

Sluiten