Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

werd dan ook door de Magistraat eene Keure afgekondigd waarin we lezen: „Overmits d' invasie van den Spaanse ende Duytsse soldaten, in den Haige gelegen hebbende, veel huyssen Godt betert gedemolueert, gheramponeerd ende berooft zyn van deuren, veynsteren ende deselfde huyssen soe onbehoorlycken, scandelycken ende onteycschelycken bewoont hebben, dat gescapen es een groote sieckte te commen ende te spruyten onder den menschen" gebied dat de huizen moeten worden gereinigd en het vuil in hoopen op straat moet worden gebracht, waar het van overheidswegen zal worden weggehaald.

Vijf dagen later was den Haag een onoverzienbare vuilnishoop en om dien ten spoedigste op te ruimen werd aan de landslieden uit den Haag, Haag-Ambacht, Eikenduinen, Half-Loosduinen en Segbroek bevolen met paard en wagen „de misse, vuylnisse ende payen, die deur den Hage in den straten leggen ende uyt den huyssen gebracht werden, te laden, ende te voyeren beneden langs den wallen van de fortifficatie van den Haghe". Zij die geen paard en wagen hadden moesten volk leveren voorzien van mestvorken.

Toen bleek dat de opgeroepenen niet bij machte waren de stad spoedig in behoorlijken toestand te brengen, bevool het Hof van Delft, op 1 April, aan de landslieden uit de omliggende plaatsen Rijswijk, Voorburg, Wassenaar en Loosduinen, dat elke gemeente eiken dag moest leveren zes wagens met paarden.

Nauwelijks was de stad weer in orde of de Spanjaarden besloten Leiden opnieuw te belegeren, ditmaal met het vaste voornemen de stad te bemachtigen, wat voor hen van het hoogste belang was.

Van alle zijden werd volk bijeengebracht en den Haag en omgeving kreeg opnieuw inkwartiering. De stad was overvol van krijgsvolk en het duurde niet lang of de vernieling van huizen, gebouwen en straten had eene dusdanige afmeting genomen, dat de pest uitbrak en vele slachtoffers vielen.

Sluiten