Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijnde, niet gerepareerd, maar „gedemoliert sal werden".

Men gaf echter den moed nog niet op; het verzoek werd herhaald om het gebouw te behouden en men verklaarde zich bereid het bedrag van ƒ 180.— te betalen, dat voor de afbraak geboden was.

De Staten bleven bij hun eenmaal genomen besluit en ordonneerden op 15 December 1580, dat de Kapel vóór Kerstmis moest zijn afgebroken, op boete van vijftig ponden van veertig grooten en preekstoel en banken aan de Kerk te Loosduinen moesten worden afgeleverd.

Nog denzelfden dag verzochten de Kerkmeesters aan de Staten dat besluit in te trekken, waarop per omgaande een weigerend antwoord kwam, met herhaald bevel dat „de Predikstoel ende andere Gestoeltens, Latryne en alle sit-Banken weesende binnen de voorschreeve Kerke, geleevert sullen worden in handen van de Kerkmeesteren van Loosduynen om in de Kerk aldaar geaccomodeert te moogen worden als na behooren".

Met Kerstmis echter stond het gebouw daar nog in onveranderden toestand; aan afbreken werd niet gedacht. De Staten wilden aan de zaak een einde maken en bij Besluit van 4 Juni 1581, hebben ze „geauthoriseert ende belast, lasten ende authoriseeren by deesen den Bailliuw ende Geregte van den Hage, mit der daad te doen procedeeren tot demolitie en afbreekinge van deselve Kerke; en hebben voorts de Staaten geordonneert den Remonstrant alhier, bij gyzelinge te innen ende te executeeren aan de Kerkmeesters van Eykenduynen de boete van vyftig ponden van veertig grooten het pond in deesen geroert ende de Penningen daar af te bekeeren ten behoeve van het arme Wees-Huis binnen den Hage".

Dit heeft geholpen, want in 1581 werd de Kerk afgebroken, echter niet geheel, want de toren beneden de galmgaten, en een voorgevel bleven gespaard en bestonden nog in 1620, zooals blijkt uit het plaatje van Rademaeker, in zijn Oudheden en Gezigten.

Eene eeuw later, volgens eene plaat, in de Beschryving

Sluiten