Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

65

sijn hant aen de geene te slaen en te brengen in den Hage in onsen steen, ende denghene daer in te houden totter tijt toe des hy den cloester, den convente ende den gesinde alsoe wul gedaen is, dat sy gepayt sijn".

Met zekerheid kan ook nog worden vermeld dat de Hoekschen, die langen tijd de oorlogskans tegen zich zagen gekeerd, na de verheffing van Jonker Frans van Brederode tot opperste gezagvoerder, ineens aan de winnende hand kwamen, in den nacht van 20 op 21 November 1488, de belangrijke stad Rotterdam veroverden.

Deze overwinning werd door meerderen gevolgd „en ziende, zooais Kornelis van Alkemade, in zijne Rotterdamse heldendaden zegt, dat alles voor hunne overwinnende wapenen kwam te buigen, tasten voords de dorpen in Delf» land aan, en stelden de zelve zonder eenig onderscheid op zwaare brandschattingen, naar hun welgevallen, of jaagden er, indien zy niet dadelyk geld schooten, den rooden haan in; zy trokken niet alleen naar Ryswyk en Voorburg, de uiterste punten van Delfland en dorpen die waarlyk de paarlen van dat Landschap genoemd mogen worden, welke beide zy met die wrange zap overgooten, maar hunne plunderziekte breidde zig ook verder uit over de zitplaats der Staaten van Holland, 's-Gravenhage, dat lusthof der Edelen, en toen het middelpunt van 's lands rykdom".

De regeerders der stad waren buiten raad; aan verdediging der onbemuurde plaats viel niet te denken en de vuurkolommen die aan alle zijden, in de naburige dorpen, zich hoog in de lucht verhieven, waren de onheilspellende voorboden van de rampen en ellende die de woeste soldatenbenden ook hier zouden aanrichten. Het eenige middel om er aan te ontkomen was misschien het vrijwillig aanbieden van eene brandschatting, daar het bekend was dat de Hoekschen behoefte hadden aan geld om den strijd voort te zetten.

Namens den Haag en Haag-Ambacht, waaronder Eikenduinen behoorde, werden naar het Hoeksche Kamp afgevaardigden gezonden, met onbepaalde volmacht om te

5

Sluiten