Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

de tijd der ontdekkingen

punt van alles vond. De aarde, de woning van den mensch, werd zoo tot middelpunt van het heelal, en wees aan zon en maan, planeten en vaste sterren een ondergeschikte positie aan. Dit was het stelsel, dat eigenlijk alle gedachten beheerschte tot ver in de 16e eeuw. Hier en daar had men pogingen aangewend, de denkbeelden van de Grieksche wijsgeeren aangaande het draaien van de aarde om de zon te doen herleven. Een bekend voorstander van deze theorie was de Duitsche geleerde Kardinaal Nicolaas van Cusa (1401—1464). De aangenomen theorie werd het eerst door Nicolaas Copernicus (1473—ï543) bepaald bestreden; dezen kan men terecht als den vader van de moderne astronomie beschouwen. Copernicus kon zich echter niet zoo geheel en al van de overheerschende oude leerstellingen losmaken, als men in 't algemeen wel aanneemt. Een groote massa onjuiste opmerkingen had zich met zijn theorieën vermengd, zijn bewijzen waren dikwijls zuiver metaphysisch, zijn gevolgtrekkingen dikwijls zwak. Hij verlegde het middelpunt van het zonnestelsel. Door hem werd de astronomie hehocentrisch. De aarde werd van haar voorrang in de schepping beroofd. .Zij was niet langer het centrum van het heelal en nam haar nederige plaats onder de andere planeten, in haar jaarlijksche reis om de zon, in.

De geschiedenis van de wijze, waarop deze nieuwe denkbeelden in het licht werden gegeven m een geschrift: „De RevolutionibusOrbiumCoelestium" (Over de omwentelingen der hemellichamen) geeft eenduidelijk beeld van deze ideeën. Op zijn laatst in het

Sluiten