Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DE KUNST

257

moedig aan, om mede te dienen tot de opwekking van dat gevoel voor de schoonheid en waarde der aardsche zaken, dat met de klassieke wedergeboorte was opgegroeid.

Toen tot de kunstenaars van dien tijd de fragmenten der antieke beeldhouwkunst, en zelfs de Apollo van Belvédère, de Laocoon, de Venus van het Vaticaan1) kwamen „als een openbaring van de klassieke beschaving, van het worstelperk en het stadion, van de heiligverklaring van het hchaam, van de apotheose van den mensch, van den godsdienst van het leven, de natuur en de vreugde", kregen de werken van den modernen beeldhouwer, die zulke oude werken tot model koos, eveneens die boodschap van vrijheid, kracht en hchaamsschoonheid mede.

Niettegenstaande zijn eigen ernst als van een Dante, de kracht van zijn godsdienstige overtuigingen en dat heftige karakter, dat de kalmte en gematigdheid van het Hellenisme voor hem onmogelijk maakten, behoorde zelfs Michelangelo, als beeldhouwer, tot die* heidensche school. Zijn smaak werd tusschen de oudheden, waarmede Lorenzo de' Medici de tuinen van San Marco versierd had, gevormd en hij zelf beweerde, dat de Apollo van Belvédère zijn ware meester geweest was. Vandaar, zooals wij bij zijn David kunnen zien, die niet meer dan een prachtig type van een Grieksch athleet is, bij zijn reusachtigen Mozes, die niet onjuist genoemd is „voor de helft een worstelaar en voor de andere helft Jupiter

») De Apollo werd onder Paus Alexander VI ontdekt, de Laocoon en Be Venus onder Julius II.

De Renaissance

17

Sluiten