Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE RENAISSANCE :

1488), van Hans Memling (1430—1494), nun schilderijen vertolken een sterk gevoel voor het vrome; j van Memlings leerling, Rogier van der Wenden (1400—1464), wiens sombere en duistere geest in den doodsstrijd van heiligen en het lijden van Christus j uitdrukking vindt; van Quentin Matsys (1466— 1530), wiens dikwijls laag-bij-de-grondsche details de j zuiverheid van zijn emotie niet verduisteren.

Indien wij het werk van deze mannen met dat van de grootste Italiaansche godsdienstige schilders j vergelijken, moeten wij zoowel hun grootere, intellec- 1 tueele onafhankehjkheid, als hun betrekkelijk gebrek, aan idealiseerende kracht opmerken. „Het streven, aan | de werkelijkheid dichterlijkheid te geven, hever dan J een conventioneel ideaal te verwezenlijken, treedt in de geheele Vlaamsche school te voorschijn", schrijft 1 Reinach, en wat hij over de Vlaamsche kunst schrijft, j kan men tot de geheele kunst van het Noorden uitbreiden.

„De schilders werden genoodzaakt heilige onderwerpen te schilderen, Heilige Maagden, engelen en | martelaren, omdat hun cliënten daarnaar vroegen ; hoe duidelijk echter blijkt, dat zij gaarne iets anders | zouden geschilderd hebben. De dingen, die henl interesseeren, waarop zij zich toeleggen en die zij zeer 1 mooi weergeven, zijn portretten van gevers, rijke | stoffen, verwijderde glimpen van landschappen. Zij 1 zijn nooit zoo groot als wanneer zij ontsnappen aan | den dwang, hun door de taak opgelegd." ») De

!) Apollo, blx. 218.

Sluiten