Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

protesteerden; voor de bovennatuurlijke opvatting van Jezus Christus als de uit den hemel gekomen Godmensch hebben wij zeker geen voldoende gronden, en op de uiterlijke wijze, waarop de kerkleer het verband legde tusschen de menschelijke zonde en het Christuslijden, kunnen wij dat verband niet meer verstaan. Zoo kunnen wij dus de Christusbelijdenis in den gangbaren trant der kerkelijke leeringen niet meer onderschrijven; toch zeggen wij haar op onze eigene, innerlijke, en tegelijk ook, naar het ons voorkomt, historische wijze, hartelijk mede.

Als wij nadenken over de evangelische overlevering, dan komt ons uit het geheel van de apostolische voorstellingen, die wij daar voor ons hebben, althans ook en allereerst tegen de gestalte van dien Jezus, die, als de laatste van Israëls profeten, hun werk zal voortzetten en beëindigen. De dorst naar het Godsrijk van gerechtigheid en liefde, die. in hunne vuurzielen heeft gebrand, vlamt ook in de zijne; straks gaat hij uit om andermaal het Koninkrijk van God uit te roepen, dat komen moet. Soms staat het voorgesteld dat hij dat rijk verwacht heeft als een plotselinge openbaring bij een naderend wereldeinde, dan ook weer, dieper, dat hij het zag groeien als zaad in den akker, en werken als zuurdeeg in het meel. In ieder geval heeft hij den dorstigen naar de gerechtigheid, den reinen van harte en den zachtmoedigen hun deel er aan toegezegd. Met innerlijke ontferming is hij bewo-

80

Sluiten