Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen geweest over het leed en de schuld zijner wereld, over het volk, dat dwaalde als schapen, die geen herder hadden. „Hij omging", staat er, „geheel Galilea, leerende in hunne synagogen, en predikende het evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekten en alle kwalen onder het volk." De eene waarheid, die hij verkondigde, was de oude der eeuwen: „heb God lief boven alles en den naaste als u zeiven." In naam daarvan heeft hij de bekeering verlangd en de wedergeboorte tot het nieuwe leven; hij heeft vergeving beloofd aan wie ook zelve vergeven wilden; hij heeft verlangd dat mende hongerigenzouspijzigen, denaakten kleeden, de bedroefden troosten, de gevangenen bevrijden. Straks is de strijd begonnen met zijne tegenstanders: de dorre, doode schriftgeleerden, de vormelijke priesters; hij heeft hen als versierde graven vol doodsbeenderen bestraft en den ontwijden tempel gereinigd, zij hebben, steeds feller, zijn dood geëischt. In Gethsemané's donkeren olijvenhof heeft hij geworsteld om de bereidheid tot den eenzamen smartengang, wel wetende, dat het zaad in den akker sterven moet als het oogst zal worden; bij het laatste Avondmaal heeft hij aangezeten met zijne discipelen, en, neergeknield om hunne voeten te wasschen, heeft hij het voorbeeld gegeven van den meeste, die dient; de Hooge Raad heeft hem veroordeeld als godslasteraar en als Pilatus hem vroeg: „zijt gij de koning der Joden?" heeft hij geantwoord: het rijk dat ik stichten wil is het rijk der waarheid, „hiertoe ben ik

6

81

Sluiten