Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3

Hfdst. VIII § I

lid. Het derde lid luidt thans: „Het openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen door de wet geregeld' en het vierde lid: „In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zoodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven."

De regeering heeft in 1848 van de woorden „met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen", welke ook thans nog in de grondwet voorkomen, een ruime verklaring gegeven, welke verklaring door de staten-generaal is aanvaard. Volgens deze verklaring beteekenen die woorden inderdaad niets anders dan: „behoudens den eerbied, welke men aan ieders godsdienstige begrippen verschuldigd is. Geschiedenis, zelfs kerkgeschiedenis kan geleerd worden, zonder den eerbied uit het oog te verliezen, welke men aan andersdenkenden verschuldigd is. Het voorschrift, hier gegeven, strekt alleen om van de openbare scholen te weren datgene, wat men theologische twist noemt. Alleen reeds door de omstandigheid, dat deze grondwetsbepaling ook voor het hooger onderwijs geldt, is men genoodzaakt deze ruime opvatting te omhelzen.

Nu moet men ook wel in het oog houden, dat art. 192 den wetgever voorschrijft ieders godsdienstige begrippen te eerbiedigen, terwijl men het dikwijls heeft doen voorkomen, alsof het aan de onderwijzers in de openbare school deze verplichting oplegde. De wetgever zou aan het grondwettelijk voorschrift kunnen voldoen zonder neutrale school, maar wanneer de onderwijzers ieders godsdienstige begrippen moeten eerbiedigen, dan is de neutrale school onvermijdelijk. ■('

Uit hetgeen in 1848 aan de opneming van de bepaling, dat er overal in het rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs moet gegeven worden, is voorafgegaan blijkt, dat het geenszins de bedoeling van den grondwetgever was, voor te schrijven, dat ook in de allerkleinste gemeente een afzonderlijke openbare lagere school moest zijn. De grondwetgever wilde slechts, dat niemand, wegens het ontbreken van een gelegenheid om zijn kinderen openbaar lager onderwijs te doen genieten, feitelijk gedwongen kan worden tegen zijn verlangen voor zijn kinderen van een bijzondere school gebruik te moeten maken. Daartoe was evenwel niet altijd noodig, dat de gelegenheid om openbaar lager onderwijs te genieten in de gemeente zelf aanwezig was. Er werd ook aan de grondwettelijke bepaling voldaan, als een goed ingerichte openbare lagere school in een andere gemeente onder het bereik lag van hen, die voor de aan hun zorgen toevertrouwde kinderen zoodanige school verlangen. Door de verandering

Met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen.

Voldoend openbaar lager onderwijs in elke gemeente.

Sluiten