Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 2

6'

Organische indeeling van het onderwijs.

Bevredigings commissie.

De onderwij: raad.

De inrichti van den onderwij sra

Op het advies van'de ineenschakelingscommissie heeft de door haar in overweging gegeven organische bouw van het onderwijs in onze wetgeving wortel geschoten. Het onderwijs is te verdeelen in algemeen vormend en vakonderwijs, terwijl zoowel het een als het ander kan zijn lager en middelbaar onderwijs. Bovendien is er nog het hooger onderwijs, dat op verschillend terrein in wetenschap en kunst, in handel en nijverheid, in ambten en bedieningen moet vormen tot het hoogste, wat de tijd presteeren kan en ten aanzien waarvan niet van vakonderwijs gesproken kan worden, omdat niet de praktische, maar de wetenschappelijke vorming het onderscheidend kenmerk aan dit onderwijs geeft. Het voorbereidend hooger onderwijs behoort echter wel tot het algemeen vormend onderwijs.

Naast het algemeen vormend lager en middelbaar onderwijs, het lager en middelbaar vakonderwijs en het hooger onderwijs staat het bewaarschoolonderwijs, dat gegeven wordt in scholen voor kinderen, voor wie de lagere scholen nog niet openstaan, waarin geen ander onderwijs dan voorbereidend lager onderwijs gegeven wordt en waarin naast het ontvangen van onderwijs toch ook doel is het veilig bewaren en aangenaam bezig houden der kinderen. Deze scholen zijn in tegenstelling met de gewone lagere scholen niet voor alle kinderen een behoefte. Velen kunnen in het gezin vinden, wat deze scholen anderen geven. _ ■

Bij koninklijk besluit van 31 December 1913, no. 10, is een commissie ingesteld, welke bekend geworden is, als de bevrediginpcornmissie, en die voorstellen gedaan heeft om door gelijkstelling, vooral ook hnancieele gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs, aan <^ schoolstrijd een einde te maken. Haar rapport 13 gedateerd 11 Maart 1916.

De voorstellen van deze staatscommissie zijn vooral van overwegend belang geweest voor de belangrijkste van de onderwijswetten, de lager' onderwijswet 1920, zooals hierna wel blijken zal.

, Het onderwijs in zijn verschillende vertakkingen, behalve het militair onderwijs, het landbouwonderwijs, het onderwijs in rijksopvoedingsgestichten of rijkswerkinrichtingen en dergelijke, wordt beheerd door den minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen. Bij diens departement is door de wet van 21 Februari 1919 (st.bl. no. 49) een onderwijsraad ingesteld om aan den minister desgevraagd of eigener beweging advies omtrent vraagstukken van algemeene strekking op het gebied van het aan de zorg van diens departement toevertrouwd onderwijs uit te brengen.

Omtrent de inrichting en de werkzaamheid van den onderwijsraad zijn bij koninklijk besluit van 18 December 1919 (st.bl. no. 816) nadere voor-

"« schriften gegeven. •«.„, j. De onderwijsraad bestaat uit ten minste vijftien leden, de voorzitter

Sluiten