Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

Hfdst. VIII § 3

ruimte laat voor godsdienstonderwijs. De minister had naar aanleiding van een opmerking door de commissie van rapporteurs gemaakt een wijziging aangebracht om dit mogelijk te maken, een wijziging, welke hij daarna weer teruggenomen heeft, omdat hij de twijfel, die daaromtrent geopperd was, niet deelde. Art. 26 *) regelt het godsdienstonderwijs op de openbare school en daarin ligt vanzelf de gedachte opgesloten, dat men godsdienstonderwijs geven mag. Daaruit volgt logisch, dat deze vrijheid ook voor het bijzonder onderwijs bestaat, hetgeen ook"nog in art. 89 is vastgelegd. „Dus" dit waren de woorden van den minister „met het oog op het feit, dat en wat de openbare en wat de bijzondere school betreft in de vrijheid van godsdienst onderwijs is voorzien, acht ik voor mij de aanvulling, die de voorzitter van de commissie van rapporteurs mij inspireerde, bij nadere overweging overbodig.' Hieruit volgt, dat het de bedoeling van den wetgever geweest ï s, dat het leerplan zoowel voor de bijzondere als voor de openbare scholen ook godsdienstonderwijs mag bevatten, al is dat in strijd met de letter van art. 3, tweede lid.

Door de omschrijving in art. 3, alinea 2, gegeven, van het gewoon lager onderwijs is de zevenjarige leertijd voor het gewoon lager onderwijs in de wet opgenomen. In sommige gevallen kan daarvan echter afgeweken worden. De memorie van toelichting merkt dienaangaande het volgende op: Een dergelijke verplichting, zonder eenige restrictie, zou echter verder reiken dan noodig is. Zij zou tot vele noodelooze kosten aanleiding geven en hier en daar tot moeilijkheden, welke vrijwel onoplosbaar zouden zijn. De eisch van den zevenjarigen leertijd bedoelt, dat geen kind de gelegenheid zal worden onthouden, gedurende zeven jaren het onmisbare elementaire onderwijs te kunnen genieten. De wetgever behoeft echter niet zoo ver te gaan, dat hij de kinderen dwingt gedurende zeven jaren de gewone lagere school te bezoeken. Ook in de toekomst zal het blijven voorkomen, dat leerlingen na het afloopen van de zesde klasse overgaan naar gymnasium, hoogere burgerschool, vakschool of uitgebreid lagere school. De zevende jaarklasse der gewone school zal dus nimmer zoo bevolkt zijn als de lagere klassen. Vooral in dichtbevolkte steden zal daarom door samenvoeging van leerlingen van verschillende scholen de mogelijkheid bestaan, aan een dier scholen een zevende klasse uit te sparen. Hierdoor zal tevens tegemoet gekomen kunnen worden aan het bezwaar, dat het bij ingesloten bouw van bestaande scholen soms feitelijk onmogelijk zou zijn een of meer lokalen bij te bouwen. Om deze reden is aan de in de wet neergelegde algemeene verplichting de bepaling toegevoegd, dat bij koninklijk besluit op grond van bijzondere omstandigheden vergunning zal kunnen worden verleend

riet zevende eerjaar.

*) Zie bladz. 44 en 45.

Sluiten